Het is stil. Doodstil. Een hotel op een hofje in het centrum van een grote stad. Uit het raam zie ik alleen stenen. Geen bomen. Geen groen. Geen vogels. Behalve soms een duif in de dakgoot of een meeuw op een schoorsteen. Een raam dat niet open kan. De frisse lucht uit de airco. En boven me voetstappen van een vrouw op hakken. Heen en weer van het bed naar de deur. Acht bonkjes heen, acht bonkjes terug. Dan nog een keer. Nog een keer. Steeds in hetzelfde ritme. Het is nog twee uur tot het ontbijt. Inmiddels tel ik ronde zeven.
Categorieën