Radio

Onlangs mocht ik een uur lang praten over mijn boek Valwind in het radioprogramma Boeken met Michel. Ik lees een aantal verhalen voor én je hoort mijn muziekkeuze. Alle nummers duren ongeveer één minuut. Dus die passen -volgens mij- perfect bij mijn verhalen die ook maar één minuut lang zijn. Veel plezier!
https://peterveen.nl/BoekenMMPeterVeen.mp3

Dief

Niks vind ik ervan. Niks. Niet goed, niet slecht, niet neutraal, gewoon niks. Want hoe kun je wijs uit alles wat er speelt, alle elementen wegen, alle krachten duiden en dan zeker weten hoe iets is. Dat gaat niet. Dat lukt je niet. Dus je kletst maar wat. Je zwetst maar wat. Je ratelt, raaskalt, tiert. Maar je weet niks. Niks weet je. Je zegt dat je iets vindt, dat je iets zeker weet. Net als ik soms doe als ik echt iets vinden moet. Maar ik weet niet wat ik vind. Hooguit praat ik iemand na die me aardig lijkt en voor dat moment wel te vertrouwen. Ik kijk gedecideerd, zet mijn sterkste stem op, recht mijn schouders en herhaal dan wat ik hoorde. Soms geloof ik wat ik zeg en denk dan, deze mening past me wel, ja, laat ik dit maar doen, hier kom ik wel mee weg. Voor even doe ik mee, maar ik weet mezelf een dief die pronkt met wat hij heeft gestolen. Ik weet wel beter. Net als jij, want je weet het niet, je weet het net zo min als ik.

Mep

Wolven! Mijn reisgenoten stuiven weg. Ik zie ze verdwijnen in de aarde, oplossen in de lucht. Verstijfd sta ik middenop de uitgestrekte heide en zie wat verder op het pad drie wolven liggen. Rennen, denk ik, maar mijn benen blijven staan. De grootste wolf springt op en komt stap voor stap mijn kant op. Ik zoek iets om me te verdedigen, kijk om me heen, grijp een klerenhanger uit de kast, mep hem keihard op zijn neus en schrik wakker. Ga plassen. Schuif het warme bed weer in. Wil die gekke denksprong van de heide naar een kast onthouden en droom daardoor steeds opnieuw de wolven-droom. Steeds weer schrik ik wakker als ik sla. Hangend buiten bed krabbel ik wat woorden in een opschrijfboek dat open ligt te wachten. Slaap dan droomloos verder tot haar wekker gaat.

Schater

Ik mopper de supermarkt uit. Het is guur. De zomer al voorbij, maar ik wil vrij zijn, lekker niks en warm genieten. Chagrijnig steek ik de weg over en spring geïrriteerd opzij als er een fietsbel klinkt. Ze lacht. Beide handen aan het stuur. In haar rechterhand klemt ze ook het puntje van een lange groene rok. Ik kijk haar na. De wind speelt met haar rok en dwarrelt om haar benen, duwt de stof omhoog, omlaag, verpakt een been en laat het dan weer vrij. De rok bolt op. Ze laat het gaan, kijkt omlaag naar beide blote benen. Schaterlacht.

Kodda

‘Hun vakantie is voorbij,’ zegt de boer. Hij maakt flinke hopen voer van hooi en biks op een omheinde voederplaats. ‘Het zijn de laatste acht, de andere zestig staan al binnen. Het gras raakt hier op. Dus het is tijd om ze weg te halen.’ Hij loopt het veld in met een emmer brokjes en rammelt ermee terwijl hij verleidelijk roept: ‘kom dan, kom dan, komda, kodda, kodda-kodda-kodda.’ Maar rond de hekken wachten wandelaars. En op de palen die de hekken stutten, zitten kinderen met bungelende benen. De koeien blijven angstvallig uit de buurt.

Ik zou ook niet komen. Het gebied zelf is rustig en stil, gedekte tinten, zachte kleuren bruin en groen. De herrie komt van mensen. Van snelle bewegingen. Van woest gele jasjes, fel oranje t-shirts, helderrode broeken, kobaltblauwe truien, oogverblindend groene mutsen, schreeuwend paarse schoenen. Een glimmende camera die het zonlicht reflecteert, wijst als een geweer naar de koeien. De zuidwestenwind draagt de geur van deo, parfum, eu de cologne door het veld. En verderweg schreeuwen de voetballers in het dorp ‘voorzet, voorzet.’

Later als ik vlakbij mijn auto ben, rijdt de boer langs in zijn 4-wheeldrive. Hij zwaait. Ik kijk om. De koeien staan nog steeds in het veld.

Kabou

Het aardappelloof is bruin en dood. Een dorre vlakte die binnenkort gerooid wordt. Middenin de akker, vlak bij elkaar, staan twee jagers. Nee. Middenin de akker, vlak bij elkaar, staan twee zonnenbloemen. Nee. Middenin de akker, vlak bij elkaar, staan twee verdwaalde maisstengels. Nee. Middenin de akker, vlak bij elkaar, staan twee kabouters. Ik pak een verrekijker. Ze zijn plantaardig, lijkt me, en trillen in de wind. Ze lijken te praten. Te wijzen. Naar mij te wijzen. Ze tikken met hun wijsvinger tegen hun voorhoofd. Vast en zeker zijn het twee kabouters.

Vijf

‘De zee, opa, ik hoor de zee,’ zegt Teun als de wind hoog boven hem aanzwelt in de toppen van de bomen. Ik zeg niks. Het is een mededeling, niet de start van een gesprek, geen educatie, maar beleving. Vast en zeker was hier ooit een zee en wie weet, kan een kind van vijf zo’n zee van toen wel horen. De wereld is onvast en zoveel is er dat ik niet weet en niet kan weten.
‘Hou jij ook van zee?’ vraagt Teun. Ik hoor de golven breken en knik. 

Ten

Het is onacceptabel. Ik veroordeel het ten sterkste. Dit kan niet. Dit moet niet. Dit gaat tegen alles in wat wij belangrijk vinden. Het moet stoppen. Het moet nu stoppen. Sterker dan dit kan ik het niet zeggen. Ik veroordeel het ten sterkste. Ik herhaal het graag. Ik veroordeel het ten sterkste. Ik herhaal het graag. Ik veroordeel het ten sterkste. Ik herhaal het graag. Ik veroordeel het ten sterkste. Ik herhaal het graag. Ik veroordeel het ten sterkste. Sterkere taal heb ik niet. Ik veroordeel het ten sterkste. Wij veroordelen het ten sterkste. Het moet stoppen. Het kan niet. Het mag niet. We willen dit niet. Ja, ik herhaal het graag nog een keer zodat iedereen het weet. We. Veroordelen. Het. Ten. Sterkste.

Niets

‘Zo moet je niet denken.’ Een man met zijn fiets aan de hand leunt over naar een jonge vrouw in een rolstoel, net als ik voorbijloop. Een oudere vrouw staat zwijgend achter haar.
‘Want het gaat niet om wat je niet meer kunt,’ vervolgt-ie zijn betoog, ‘maar om wat je nog wél kunt, om een positieve levensinstelling.’
Ze is even stil.
‘Ja, maar ik kan helemaal niets meer.’
De jonge vrouw kijkt naar hem op. Haar stem is licht geïrriteerd.
‘Zelfs zitten doet me vreselijk pijn. En elke dag wordt het slechter. Ik wil wel van alles, maar ik kan niks. Niks! En dan moet ik positief zijn?!’
Benieuwd naar hun gezichten, kijk ik om. Ze zien me kijken. Het gesprek valt stil. Als een gesloten front staren ze naar mij. Een welkome vijand.

Ginds

Er is daar niks. Ik was er al en zag dat daar niks bijzonders is. Dat klinkt onschuldig en dat was het ook. Maar toen ik terug kwam, wist ik dat ik was veranderd. Het weten dat daarginds niks te vinden is, heeft mij veranderd. Mijn besef van deze plek verdiept. Mijn behoefte weg te gaan, is aangetast en opgeslurpt. Er is geen reden meer voor een vertrek. Net als er ook nooit een reden is geweest om daarginds heen te gaan. Nee, ik had niet hoeven gaan. Iedereen weet toch dat daar niks te vinden is. Maar ik was eigenwijs en ging. Om te ontdekken dat ze gelijk hebben gehad. Dus ik verzeker je, er is daar niks. Blijf thuis. Want als je gaat, zul je ontdekken dat ik en al die anderen gelijk hebben. En die ontdekking zal je hopeloos veranderen. Dus ga niet. Blijf thuis. Er is daar niets te vinden.

Vanzelf

Dagenlang. Nachtenlang. Hij zat op een bankje aan de rand van het park. Zo op het oog een keurige man, zelfverzekerd en ontspannen. “Ik maak de tijd zoek,” zei hij toen ik vroeg wat hij op dat bankje deed. “Tenminste dat probeer ik. Ik heb er simpelweg teveel van en ik weet me er geen raad meer mee. Dus ik maak hem zoek. Je ziet het vanzelf als het is gelukt, want dan ben ik verdwenen. Zonder tijd is er immers geen bestaan.” Op een ochtend toen ik de hond uitliet was hij weg.

Russel

B Russel, het staat in potlood neergekrabbeld op een briefje naast mijn bed, dwars door een andere tekst. Het zegt me niks, geen idee meer wie het is of waarom ik die naam heb opgeschreven. Aan het handschrift zie ik dat het donker geweest moet zijn en de grote letters zeggen me dat ik het heel erg nodig vond om dit te onthouden. En ja, ik ken een Russell, maar die is met twee ll-en op het eind. Ik neem het blaadje mee naar beneden, zet mijn computer aan en wacht geduldig tot het ding is opgestart. B Russel tik ik in in Google. Dat lijkt me het beste wat ik doen kan. Kijken wie het is, hoe hij eruit ziet, wat ik ermee moet. Ik druk op Enter, zie 148.000.000 hits en lach beschaamd.

Steel

Op tafel ligt een dode vlinder. Vleugels uitgespreid. ‘Zo’n vlinder is gemaakt om te vliegen,’ zegt ze en wuift met haar hand naar het dode dier dat de wind haast lijkt te voelen en over tafel dwarrelt. Dat had ik zelf wel willen zeggen, denk ik en steel haar woorden. Meer kan ik over vlinders niet vertellen – los van dat ze mooi zijn, kwetsbaar, dat ik van ze hou om hoe ze fladderen, niet lijken te weten waar ze gaan om altijd ergens uit te komen – dat ze gemaakt zijn om te vliegen en dat je dat bedenkt op een moment dat die waarheid ertoe doet. Het inzicht hebt. Hardop zegt. Mij in stilte achterlaat. Ik inspecteer de spikkels op de vleugels, check de veldgids-app. Zandoogje. Het is de bonte.

Zonde

‘Dit beest was bang,’ zeg ik terwijl ik van het vlees proef. ‘Het smaakt naar angst met een flinke scheut paniek en een zweem verbijstering. Ik proef ontheemd zijn en de kudde missen. Ja, dit vlees was bang. Heel erg bang.’
Mijn gastheer kijkt verbaasd en neemt een hapje van mijn bord.
‘Het smaakt precies als anders,’ zegt hij. ‘Eet er maar omheen. Of eet het op. Het is al betaald, het beest is al geslacht, zonde om het weg te gooien.’ Hij spoelt zijn woorden weg met witte wijn. Ik neem een slokje van mijn thee van vers geplukte munt. En vraag me af of het plantje ernstig heeft geleden.

(Ook opgenomen in Valwind)

Ree

Verlicht door de zon zie ik honderd meter verderop een ree tussen de bosjes staan. Tien meter ernaast staat nog een ree en even verder weer een. Ze kijken mijn kant op. Onbeweeglijk kijken ze mijn kant op. Stokstijf staan ze naar me te kijken of op z’n minst in deze richting, naar mij of naar het huis, de ondergaande zon. Minutenlang kijk ik terug. Op tafel staat een kijker, ik zou hem kunnen pakken om ze van dichtbij te te zien, maar ik doe het niet. Het reflecterend glas zou ze kunnen laten schrikken. Of wellicht zie ik dan bevestigd wat ik eigenlijk al weet. Dat het geen reeën zijn. Dat de avondzon wat onbegroeide stukjes boomstam bruinig-geel verlicht en de rest gedaan wordt door mijn wens een ree te zien. Onbeweeglijk in het laatste licht van de ondergaande zon.