Een jongen in een rolstoel. Zijn linkerbeen zit in het gips. Het steekt recht vooruit tot ver voorbij de voorkant van de rolstoel. Hij probeert een wheelie te maken en kijkt triomfantelijk om zich heen als het een paar meter lukt. Zijn moeder die naast de rolstoel loopt glimlacht wat onzeker. ‘Doodeng,’ zucht ze, ‘ik vind het doodeng.’ De jongen rijdt van haar weg, doet een nieuwe poging. Half over zijn schouder roept hij: ‘Nou, dan kijk je toch niet.’ Ze zegt niks meer, maar vertraagt haar pas. Haar man haalt haar in. Slaat een arm om haar middel.
Categorieën