Ik loop over een modderig bospad en vraag me af wat ik hier doe, waarom ik hier loop. En omdat het mijn aard is me dingen af te vragen, net zo goed als het mijn aard is dingen af te maken als ik eraan begin, loop ik door zonder te weten waarom, waarheen, waarvoor. Want stel dat ik stop, dan sta ik stil, midden op een drassig bospad. Hoe mooi het hier ook is, dit is geen plek om lang te blijven zonder een vloer, een dak en vuur. Op de akker naast het pad zijn – maanden terug al – de aardappels gerooid. Diepe sporen vol water laten de rechte lijnen zien waarlangs gewerkt is. Haakse banen van verkavelingsweg naar verkavelingsweg. En waar ik nog wel eens dwalen wil, laat de akker zien hoe simpel zaken kunnen zijn: gewoon rechtdoor tot een volgende weg, dan meebewegen tot weer een weg, tot een volgende weg, tot ooit wellicht een weg niet verder gaat. Ongetwijfeld is er dan een pad. Of een schip dat verder vaart, waarheen dan ook, naar een volgend continent, een eiland, een rots, een golf, een windvlaag. Water. Heel veel water.
Categorieën