Uit het raam, lekker in de zon, kijk ik naar vogels die baltsen, nesten bouwen. Naar hazen die langsrennen op jacht naar elkaar. Soms doe ik de schuifpui open. Zoals net toen er een vaag gerucht klonk van een vogelzang die ik niet kende of eerder al het schreeuwen van een paar kraaien en een buizerd die ruzie hebben. Maar als de nog koude wind mijn huid bereikt, schuif ik de pui weer dicht. Of ze me zien, de vogels, de hazen en wat er verder buiten leeft? Als ze me zien, hebben ze medelijden. Dat ik niet kan vliegen. Nooit eens lekker ren. Mezelf niet warm kan houden. Altijd in die krappe kooi zit.
Categorieën