Ik kocht een trainingsbroek. Een wijde met zakken op de dijen als een werkmansbroek. Maatje s, dus misschien een centimeter te kort? ‘Nee, hoor,’ zegt de verkoopster, ‘hij zit prima. Dat hoort zo, dat hij niet op je schoenen hangt of dat je er niet over struikelt.’ In de loop van de dag denk ik de broek steeds wijder en steeds korter. De boorden tot halverwege mijn kuiten, tot mijn knieën, tot halfweg mijn dijen. Korter en korter wordt de broek, wijder en wijder. Tot het een rokje is in mijn gedachten. Een sportrokje. Of ik hem zal ruilen, vraag ik me af. Of zal ik hem eerst nog een keertje passen. Ik pak hem van de stoel waarop hij ligt te wachten en trek hem voor de spiegel aan. Mijn rokje. Mijn korte wijde rokje.
Categorieën