Ik zit voor een hotelraam en staar naar buiten. Naar zeilbootjes op een bijna windstil meer waar het laatste restje wind voorzichtig rimpelingen trekt over het water. De zeilen hangen slap, net als de vlaggen langs de oever. Het water draagt het geluid van stemmen naar me toe. Onbestemde klanken die opgetogen klinken. Mijn kamer is ruim en koel en ontdaan van iedere persoonlijkheid. De balkondeur staat open. Het geluid van een scheepsmotor komt binnen. Of van een enkele motorrijder in de verte. De deur rammelt licht als er een vlaagje overtrekt. Kleine golfjes op het water. Zilver dat het zonlicht reflecteert.
Categorieën