Mep

Wolven! Mijn reisgenoten stuiven weg. Ik zie ze verdwijnen in de aarde, oplossen in de lucht. Verstijfd sta ik middenop de uitgestrekte heide en zie wat verder op het pad drie wolven liggen. Rennen, denk ik, maar mijn benen blijven staan. De grootste wolf springt op en komt stap voor stap mijn kant op. Ik zoek iets om me te verdedigen, kijk om me heen, grijp een klerenhanger uit de kast, mep hem keihard op zijn neus en schrik wakker. Ga plassen. Schuif het warme bed weer in. Wil die gekke denksprong van de heide naar een kast onthouden en droom daardoor steeds opnieuw de wolven-droom. Steeds weer schrik ik wakker als ik sla. Hangend buiten bed krabbel ik wat woorden in een opschrijfboek dat open ligt te wachten. Slaap dan droomloos verder tot haar wekker gaat.