Vier

Ik tel de treden van de trap in blokjes van vier en altijd komt het uit. De hoogste trede op de vierde tel van het vierde blokje. Ergens diep van binnen ben ik verbaasd dat het altijd klopt, alsof zo nu en dan niet ook een trap een trede korter zijn kan of een treetje langer voor een keer. Het is een vaag gevoel van twijfel, een onduidelijk, op de rand van mijn bewustzijn wonend wantrouwen aan alles wat ik voor waar aanneem, waarvan ik als het erop aankomt toch niet helemaal zeker ben. Diep, diep van binnen hou ik er rekening mee dat ooit een keer de dingen die we zeker weten toch iets anders doen, dat dan de trap dertien treden heeft of negentien. Hoewel ik zeker weet dat als het mocht gebeuren, ik het weg zal wuiven als een vergissing mijnerzijds en terwijl ik m’n schouders ophaal tegen mezelf zal zeggen dat ik vast en zeker slordig heb geteld.