Tachtig

Teller op tachtig. Voor me op de autoruit een mier met vleugels. De poten wijd gespreid, de vleugels op het raam gedrukt en ook de weke buik wordt hard tegen het koude autoraam geperst. In een reflex laat ik het gaspedaal los en kijk of het de mier nu beter gaat. Zestig. Vijftig. De poten strekken zich. De vleugels komen langzaam los van het raam en wapperen in de rijwind, rukken aan de pezen en de spieren en knakken -denk ik- haast de mierenrug.
De auto achter me knippert met z’n koplampen dat ik op moet schieten, maar ik laat de wagen rustig verder rollen. Was het beest op weg naar een bloem, naar een vijandig nest, naar een geliefde, naar huis met eten voor een barre winter? Ik besef dat ik een leven heb verstoord, simpel door me te verplaatsen. In een opwelling trap ik op de rem en zet de auto langs de weg. De mier op het raam strekt zich, richt zich op. Hoofdschuddend wandelt het insect het raam af naar beneden.