Stof

Het huis is leeg. De nieuwe kast, die prima bank, de schilderijtjes aan de muur, de klok die herinnert aan hun 25jarig huwelijk, alles wat van waarde leek is weggegooid. Het laatste sopje wist haar geuren uit, lost haar sporen op. Hoeveel kan een mens bewaren. Als ik straks thuis ben, krijgt de stofzuiger -mijn erfenis- een nieuwe zak. De oude gooi ik in de vuilnisbak, haar sporen achteloos vermengd met vuil van alle buren. De lijstjes met de laatste klusjes afgestreept. Op het aanrecht staat een doos met de rouwkaarten die overbleven, niemand die ze nu al weg kan gooien.
‘U bent altijd welkom,’ zegt de nieuwe huurder, ‘als u hier nog eens wilt kijken, van harte, dan komt u toch bij mij op de koffie!’ Maar ik wantrouw zijn vage blik, de druppel aan zijn neus, zijn scheve loop en hoe hebberig hij kijkt naar een kast die hij later toch ruimhartig overneemt.
Veel herinnert me niet aan haar. Een foto van mijn vader in een lijst die altijd op de schoorsteenmantel stond, een trouwring met zijn naam erin, een stofzuiger die ik niet gebruik en zo nu en dan in onze keuken een theedoek die ik niet herken, waar ik bij beter kijken een merkje op ontwaar en dan met leesbril op haar naam kan lezen. En soms -zoals daarnet toen ik de trap afliep- denk ik dat ik haar nodig weer eens bellen moet.