Papier

Papier, waar is een papiertje? Ik zit aan tafel en moet dringend een zin opschrijven, zo-een die uit een droom stamt en die zo weer is vervlogen. Het enige papier dat ik zie, is de rouwkaart van tante Jos die we vorige week hebben begraven. Ik aarzel. Kan je dat maken, is het niet oneerbiedig naar een overledene, een soort van heiligschennis? Maar dat zinnetje moet geschreven, anders vergeet ik het, dus ik vouw de rouwkaart om zodat de overlijdenstekst naar binnen wijst en krabbel wat ik kwijt moet op de blanco achterkant. De kaart slingert dagenlang als notitieblaadje nog op tafel en verhuist dan mee naar mijn bureau, raakt vol met nog meer woorden die onthouden moeten worden, een telefoonnummer om later terug te bellen, een snelle rekensom. Nu net schreef ik op een stukje dat nog leeg was de boodschappen die ik zometeen ga halen. Ik scheur het lijstje los en stop het in mijn broekzak. De uitgescheurde hap maakt ruimte voor de tekst eronder. Omrand door rafeleinden van gescheurd papier lees ik onverwacht de vrijgekomen regels: Huil niet om mij, mijn lijden is ten einde.
Ik pak een kratje voor alles wat ik kopen moet en doe de achterdeur op slot. De auto start gelukkig vlot. Als altijd knippert het rode lampje van de oliedruk.