Op de grens

Met mijn ogen dicht hoor ik de wind van vleugels. Een engel vliegt voorbij, keert en landt over de sloot in een graslandje met paardenbloemen. Als ik mijn ogen open, wolkt het pluis hoog op. Een vlinder vecht zich vrij, fladdert zoekend rond, ontwijkt een mus die opvliegt met een pijpje stro. Zeven spreeuwen stuiven weg als een groepje kraaien overvliegt. Ik sluit opnieuw mijn ogen. Luister. Maar de engel is verdwenen, vervangen door alledaagse dingen zoals de afwas en wat ik straks zal koken.