Kodda

‘Hun vakantie is voorbij,’ zegt de boer. Hij maakt flinke hopen voer van hooi en biks op een omheinde voederplaats. ‘Het zijn de laatste acht, de andere zestig staan al binnen. Het gras raakt hier op. Dus het is tijd om ze weg te halen.’ Hij loopt het veld in met een emmer brokjes en rammelt ermee terwijl hij verleidelijk roept: ‘kom dan, kom dan, komda, kodda, kodda-kodda-kodda.’ Maar rond de hekken wachten wandelaars. En op de palen die de hekken stutten, zitten kinderen met bungelende benen. De koeien blijven angstvallig uit de buurt.

Ik zou ook niet komen. Het gebied zelf is rustig en stil, gedekte tinten, zachte kleuren bruin en groen. De herrie komt van mensen. Van snelle bewegingen. Van woest gele jasjes, fel oranje t-shirts, helderrode broeken, kobaltblauwe truien, oogverblindend groene mutsen, schreeuwend paarse schoenen. Een glimmende camera die het zonlicht reflecteert, wijst als een geweer naar de koeien. De zuidwestenwind draagt de geur van deo, parfum, eu de cologne door het veld. En verderweg schreeuwen de voetballers in het dorp ‘voorzet, voorzet.’

Later als ik vlakbij mijn auto ben, rijdt de boer langs in zijn 4-wheeldrive. Hij zwaait. Ik kijk om. De koeien staan nog steeds in het veld.