Kabou

Het aardappelloof is bruin en dood. Een dorre vlakte die binnenkort gerooid wordt. Middenin de akker, vlak bij elkaar, staan twee jagers. Nee. Middenin de akker, vlak bij elkaar, staan twee zonnenbloemen. Nee. Middenin de akker, vlak bij elkaar, staan twee verdwaalde maisstengels. Nee. Middenin de akker, vlak bij elkaar, staan twee kabouters. Ik pak een verrekijker. Ze zijn plantaardig, lijkt me, en trillen in de wind. Ze lijken te praten. Te wijzen. Naar mij te wijzen. Ze tikken met hun wijsvinger tegen hun voorhoofd. Vast en zeker zijn het twee kabouters.