De grote blauwe zee

Ik heb de zee niet aangeraakt in al die weken dat we haar bevaren. Niet gezwommen, niet pootje gebaad, niet overboord gevallen. Soms kwam de zee naar mij. In spetters vanaf de boeg, als regen en via natte vallen en landvasten.

De zee zit in mijn broek die wit is uitgeslagen van het zout, in het zeilpak dat aan alle kanten plakt,
in de makreel die koploos in de pan belandt, op mijn gezicht als ik mijn lippen lik,
in mijn eten dat vanzelf op smaak komt als ik het aanraak met mijn handen.

Maar de zee, de grote zee, de zwarte, blauwe, groene, grijze zee, onaangeraakt, door mij onaangeraakt.

Uit Hondenwacht. Even inkijken?