Speeltijd

‘Ik praat niet meer tegen je, want je kan niet luisteren.’
De vader klinkt streng. Zijn jonge dochter kijkt verbolgen naar hem op.
‘Ik kan wel luisteren!’
‘Net toen ik wat zei, luisterde je niet en daarvoor ook niet en dáárvoor ook niet.’
‘Maar toen was het speeltijd.’
‘Dat kan wel, maar ik ga toch niks zeggen want je ogen staan alweer op spelen en niet op luisteren.’
Zijn toon is rustig en bezwerend. Alles onder controle.
Drie keer huppelde ze langs in haar groene prinsessenjurk. Dansende krullen. Zwarte lakschoentjes tiptappend op de vloer van de trein en een vrolijk ‘Zeg Roodkapje, waar ga je henen.’
‘Denk je dat dat lukt, luisteren? Ga eerst maar eens netjes zitten.’

(Uit mijn nieuwe boek Valwind)

Lang

‘Goedemorgen,’ zegt hij, een lange man op laarzen op het modderige bospad die drie meter achter zijn hond loopt. ‘Goedemorgen,’ zegt zij, een kleine vrouw op laarzen op het modderige bospad die een paar passen achter hem loopt en soms volledig achter hem verdween toen ik ze uit de verte aan zag komen en even niet zeker wist of er een of twee mensen liepen. Het is een lang woord, goedemorgen, onuitspreekbaar lang.
‘Moi,’ groet ik ze terug, maar spreek het langzaam uit zodat het niet kort klinkt. Niet onbeleefd kort klinkt. De honden ruiken aan elkaar. Steken hun staart omhoog.

Uit mijn nieuwe boek Valwind: www.peterveen.nl/valwind

Papier

Papier, waar is een papiertje? Ik zit aan tafel en moet dringend een zin opschrijven, zo-een die uit een droom stamt en die zo weer is vervlogen. Het enige papier dat ik zie, is de rouwkaart van tante Jos die we vorige week hebben begraven. Ik aarzel. Kan je dat maken, is het niet oneerbiedig naar een overledene, een soort van heiligschennis? Maar dat zinnetje moet geschreven, anders vergeet ik het, dus ik vouw de rouwkaart om zodat de overlijdenstekst naar binnen wijst en krabbel wat ik kwijt moet op de blanco achterkant. De kaart slingert dagenlang als notitieblaadje nog op tafel en verhuist dan mee naar mijn bureau, raakt vol met nog meer woorden die onthouden moeten worden, een telefoonnummer om later terug te bellen, een snelle rekensom. Nu net schreef ik op een stukje dat nog leeg was de boodschappen die ik zometeen ga halen. Ik scheur het lijstje los en stop het in mijn broekzak. De uitgescheurde hap maakt ruimte voor de tekst eronder. Omrand door rafeleinden van gescheurd papier lees ik onverwacht de vrijgekomen regels: Huil niet om mij, mijn lijden is ten einde.
Ik pak een kratje voor alles wat ik kopen moet en doe de achterdeur op slot. De auto start gelukkig vlot. Als altijd knippert het rode lampje van de oliedruk.

Niets

‘Zo moet je niet denken.’ Een man met zijn fiets aan de hand leunt over naar een jonge vrouw in een rolstoel, net als ik voorbij loop. Een oudere vrouw staat zwijgend achter haar.
‘Want het gaat niet om wat je niet meer kunt,’ vervolgt-ie zijn betoog, ‘maar om wat je nog wél kunt, om een positieve levensinstelling.’
Ze is even stil.
‘Ja, maar ik kan helemaal niets meer.’
De jonge vrouw kijkt naar hem op. Haar stem is licht geïrriteerd.
‘Zelfs zitten doet me vreselijk pijn. En elke dag wordt het slechter. Ik wil wel van alles, maar ik kan niks. Niks! En dan moet ik positief zijn?!’
Benieuwd naar hun gezichten, kijk ik om. Ze zien me kijken. Het gesprek valt stil. De sfeer is om te snijden.

Kreun

Op de nog kale akker wandelt op zijn gemak een haas. Tien stappen, dan even zitten, oren gespitst. Opnieuw tien stappen, dan weer even zitten. Achter hem draait een trekker het land op. De haas schrikt en rent zigzaggend vooruit. De trekker lijkt hem na te jagen. Een eenzame haas, achtervolgd door een eenzame trekker. Ik sta voor het raam en zie het aan, weet niet of ik lachen zal of huilen. De trekker verdwijnt richting horizon. De haas is niet meer te zien. In de sloot vlakbij kreunt de eerste kikker dat het voorjaar wordt.

Onthouden

Zo’n dag, dat je half hardop bedenkt dat je een moeder had. Hoewel er maar weinig aan haar denken doet. Vreemde theedoeken tussen de stapel die al hoog genoeg was, een stofzuiger die ongebruikt op zolder staat, een Ikeakastje in de badkamer waar we jarenlang ook zonder konden. Uit haar nalatenschap kwamen vooral dingen van mijn vader die jaren eerder al gestorven is. Oude tekeningen, schetsjes, stillevens op spaanplaat, een gouden CNV-speldje voor 50 jaar trouwe dienst en zowaar de oude boekjes van de BB met wenken voor de bescherming van uzelf en uw gezin. Met die boekjes in de hand inspecteerde hij de kelder en wees aan wie in nood op welke plaats moest zitten. Het noodrantsoen met harde biscuits, bloem, suiker, kaarsen en lucifers stond op de bovenste plank in de slaapkamerkast, zelfs als ik op een stoel stond, kon ik er niet bij. De foto die ik van hem maakte op hun 25-jarig huwelijksfeest en die sinds zijn sterven bij haar op de schoorsteen stond, staat nu op de luidspreker vlak naast mijn bureau. Soms valt mijn blik op hem. Niet eerder was hij zo lang zo dichtbij. Zo’n dag. Dat je je afvraagt hoe een mens onthouden wordt en of het wel iets uitmaakt.