Dreun

Of er een zandzak tegen het raam wordt gegooid. De dreun is dof en zwaar. Ik ren naar boven, grijp een zaklantaren mee. Veren op het raam, de afdruk van een kop. Het lamplicht aait over een fazanthen die gestrekt ligt op het balkon. Even trilt een vleugel. Dan is het bewegen over. De volgende ochtend draag ik haar in de richting vanwaar ze kwam. Naar de slootkant waar ze misschien woonde. Laat haar achter in het gele gras. Eten voor de kraaien, voor een vos, voor een ander dier dat honger heeft. En wie weet, een kans op afscheid voor de fazanthaan die ik ’s avonds hoorde roepen.

Neus

Dat er bovenop je neus ineens een haartje groeit dat zich eerst nog gewillig laat verwijderen, maar als de tijd verstrijkt wat harder wordt, steviger en hinderlijk opvalt als je met je vingertop over je neus schuift zodat je dat haartje vervolgens met de pincet van een zwitsers zakmes uitrukt om daarna te ontdekken dat je huid er niet echt tegen kan en ontsteekt, zodat je later steeds wanhopiger moet kiezen tussen een rode neus of een haartje dat er eigenlijk niet hoort en onvermijdelijk aangeeft dat je leeftijd vordert. Ik laat de haar met rust, maar moet steeds opnieuw de impuls tot uitrukken beheersen, elke keer als ik – en ik doe het vaak merk ik – min of meer per ongeluk met een vinger over mijn neus strijk.

Vol

Eén vlieg zwerft nog door het huis. Misschien is het de laatste op de wereld, denk ik soms. Hij is al weken hier en lijkt hier ook te wonen. Als ik mijn ontbijt maak, komt hij kijken en probeert om mee te proeven. Ik jaag hem weg. Geen vliegenspeeksel in mijn ochtenpap. Als ik uitgegeten ben, laat ik de kom nog even op tafel staan terwijl ik op mijn mobiel de krant uitlees. Brommend komt dan ook de vlieg naar tafel, doet zich tegoed aan wat ik aan restjes overlaat. Als later de krant gelezen is, spoel ik het vaatje af. Met de vlieg gezellig zoemend rond mijn hoofd.

Radio

Onlangs mocht ik een uur lang praten over mijn boek Valwind in het radioprogramma Boeken met Michel. Ik lees een aantal verhalen voor én je hoort mijn muziekkeuze. Alle nummers duren ongeveer één minuut. Dus die passen -volgens mij- perfect bij mijn verhalen die ook maar één minuut lang zijn. Veel plezier!
https://peterveen.nl/BoekenMMPeterVeen.mp3

Dief

Niks vind ik ervan. Niks. Niet goed, niet slecht, niet neutraal, gewoon niks. Want hoe kun je wijs uit alles wat er speelt, alle elementen wegen, alle krachten duiden en dan zeker weten hoe iets is. Dat gaat niet. Dat lukt je niet. Dus je kletst maar wat. Je zwetst maar wat. Je ratelt, raaskalt, tiert. Maar je weet niks. Niks weet je. Je zegt dat je iets vindt, dat je iets zeker weet. Net als ik soms doe als ik echt iets vinden moet. Maar ik weet niet wat ik vind. Hooguit praat ik iemand na die me aardig lijkt en voor dat moment wel te vertrouwen. Ik kijk gedecideerd, zet mijn sterkste stem op, recht mijn schouders en herhaal dan wat ik hoorde. Soms geloof ik wat ik zeg en denk dan, deze mening past me wel, ja, laat ik dit maar doen, hier kom ik wel mee weg. Voor even doe ik mee, maar ik weet mezelf een dief die pronkt met wat hij heeft gestolen. Ik weet wel beter. Net als jij, want je weet het niet, je weet het net zo min als ik.

Mep

Wolven! Mijn reisgenoten stuiven weg. Ik zie ze verdwijnen in de aarde, oplossen in de lucht. Verstijfd sta ik middenop de uitgestrekte heide en zie wat verder op het pad drie wolven liggen. Rennen, denk ik, maar mijn benen blijven staan. De grootste wolf springt op en komt stap voor stap mijn kant op. Ik zoek iets om me te verdedigen, kijk om me heen, grijp een klerenhanger uit de kast, mep hem keihard op zijn neus en schrik wakker. Ga plassen. Schuif het warme bed weer in. Wil die gekke denksprong van de heide naar een kast onthouden en droom daardoor steeds opnieuw de wolven-droom. Steeds weer schrik ik wakker als ik sla. Hangend buiten bed krabbel ik wat woorden in een opschrijfboek dat open ligt te wachten. Slaap dan droomloos verder tot haar wekker gaat.

Schater

Ik mopper de supermarkt uit. Het is guur. De zomer al voorbij, maar ik wil vrij zijn, lekker niks en warm genieten. Chagrijnig steek ik de weg over en spring geïrriteerd opzij als er een fietsbel klinkt. Ze lacht. Beide handen aan het stuur. In haar rechterhand klemt ze ook het puntje van een lange groene rok. Ik kijk haar na. De wind speelt met haar rok en dwarrelt om haar benen, duwt de stof omhoog, omlaag, verpakt een been en laat het dan weer vrij. De rok bolt op. Ze laat het gaan, kijkt omlaag naar beide blote benen. Schaterlacht.

Kodda

‘Hun vakantie is voorbij,’ zegt de boer. Hij maakt flinke hopen voer van hooi en biks op een omheinde voederplaats. ‘Het zijn de laatste acht, de andere zestig staan al binnen. Het gras raakt hier op. Dus het is tijd om ze weg te halen.’ Hij loopt het veld in met een emmer brokjes en rammelt ermee terwijl hij verleidelijk roept: ‘kom dan, kom dan, komda, kodda, kodda-kodda-kodda.’ Maar rond de hekken wachten wandelaars. En op de palen die de hekken stutten, zitten kinderen met bungelende benen. De koeien blijven angstvallig uit de buurt.

Ik zou ook niet komen. Het gebied zelf is rustig en stil, gedekte tinten, zachte kleuren bruin en groen. De herrie komt van mensen. Van snelle bewegingen. Van woest gele jasjes, fel oranje t-shirts, helderrode broeken, kobaltblauwe truien, oogverblindend groene mutsen, schreeuwend paarse schoenen. Een glimmende camera die het zonlicht reflecteert, wijst als een geweer naar de koeien. De zuidwestenwind draagt de geur van deo, parfum, eu de cologne door het veld. En verderweg schreeuwen de voetballers in het dorp ‘voorzet, voorzet.’

Later als ik vlakbij mijn auto ben, rijdt de boer langs in zijn 4-wheeldrive. Hij zwaait. Ik kijk om. De koeien staan nog steeds in het veld.

Kabou

Het aardappelloof is bruin en dood. Een dorre vlakte die binnenkort gerooid wordt. Middenin de akker, vlak bij elkaar, staan twee jagers. Nee. Middenin de akker, vlak bij elkaar, staan twee zonnenbloemen. Nee. Middenin de akker, vlak bij elkaar, staan twee verdwaalde maisstengels. Nee. Middenin de akker, vlak bij elkaar, staan twee kabouters. Ik pak een verrekijker. Ze zijn plantaardig, lijkt me, en trillen in de wind. Ze lijken te praten. Te wijzen. Naar mij te wijzen. Ze tikken met hun wijsvinger tegen hun voorhoofd. Vast en zeker zijn het twee kabouters.

Vijf

‘De zee, opa, ik hoor de zee,’ zegt Teun als de wind hoog boven hem aanzwelt in de toppen van de bomen. Ik zeg niks. Het is een mededeling, niet de start van een gesprek, geen educatie, maar beleving. Vast en zeker was hier ooit een zee en wie weet, kan een kind van vijf zo’n zee van toen wel horen. De wereld is onvast en zoveel is er dat ik niet weet en niet kan weten.
‘Hou jij ook van zee?’ vraagt Teun. Ik hoor de golven breken en knik. 

Ten

Het is onacceptabel. Ik veroordeel het ten sterkste. Dit kan niet. Dit moet niet. Dit gaat tegen alles in wat wij belangrijk vinden. Het moet stoppen. Het moet nu stoppen. Sterker dan dit kan ik het niet zeggen. Ik veroordeel het ten sterkste. Ik herhaal het graag. Ik veroordeel het ten sterkste. Ik herhaal het graag. Ik veroordeel het ten sterkste. Ik herhaal het graag. Ik veroordeel het ten sterkste. Ik herhaal het graag. Ik veroordeel het ten sterkste. Sterkere taal heb ik niet. Ik veroordeel het ten sterkste. Wij veroordelen het ten sterkste. Het moet stoppen. Het kan niet. Het mag niet. We willen dit niet. Ja, ik herhaal het graag nog een keer zodat iedereen het weet. We. Veroordelen. Het. Ten. Sterkste.

Niets

‘Zo moet je niet denken.’ Een man met zijn fiets aan de hand leunt over naar een jonge vrouw in een rolstoel, net als ik voorbijloop. Een oudere vrouw staat zwijgend achter haar.
‘Want het gaat niet om wat je niet meer kunt,’ vervolgt-ie zijn betoog, ‘maar om wat je nog wél kunt, om een positieve levensinstelling.’
Ze is even stil.
‘Ja, maar ik kan helemaal niets meer.’
De jonge vrouw kijkt naar hem op. Haar stem is licht geïrriteerd.
‘Zelfs zitten doet me vreselijk pijn. En elke dag wordt het slechter. Ik wil wel van alles, maar ik kan niks. Niks! En dan moet ik positief zijn?!’
Benieuwd naar hun gezichten, kijk ik om. Ze zien me kijken. Het gesprek valt stil. Als een gesloten front staren ze naar mij. Een welkome vijand.

Ginds

Er is daar niks. Ik was er al en zag dat daar niks bijzonders is. Dat klinkt onschuldig en dat was het ook. Maar toen ik terug kwam, wist ik dat ik was veranderd. Het weten dat daarginds niks te vinden is, heeft mij veranderd. Mijn besef van deze plek verdiept. Mijn behoefte weg te gaan, is aangetast en opgeslurpt. Er is geen reden meer voor een vertrek. Net als er ook nooit een reden is geweest om daarginds heen te gaan. Nee, ik had niet hoeven gaan. Iedereen weet toch dat daar niks te vinden is. Maar ik was eigenwijs en ging. Om te ontdekken dat ze gelijk hebben gehad. Dus ik verzeker je, er is daar niks. Blijf thuis. Want als je gaat, zul je ontdekken dat ik en al die anderen gelijk hebben. En die ontdekking zal je hopeloos veranderen. Dus ga niet. Blijf thuis. Er is daar niets te vinden.

Vanzelf

Dagenlang. Nachtenlang. Hij zat op een bankje aan de rand van het park. Zo op het oog een keurige man, zelfverzekerd en ontspannen. “Ik maak de tijd zoek,” zei hij toen ik vroeg wat hij op dat bankje deed. “Tenminste dat probeer ik. Ik heb er simpelweg teveel van en ik weet me er geen raad meer mee. Dus ik maak hem zoek. Je ziet het vanzelf als het is gelukt, want dan ben ik verdwenen. Zonder tijd is er immers geen bestaan.” Op een ochtend toen ik de hond uitliet was hij weg.

Russel

B Russel, het staat in potlood neergekrabbeld op een briefje naast mijn bed, dwars door een andere tekst. Het zegt me niks, geen idee meer wie het is of waarom ik die naam heb opgeschreven. Aan het handschrift zie ik dat het donker geweest moet zijn en de grote letters zeggen me dat ik het heel erg nodig vond om dit te onthouden. En ja, ik ken een Russell, maar die is met twee ll-en op het eind. Ik neem het blaadje mee naar beneden, zet mijn computer aan en wacht geduldig tot het ding is opgestart. B Russel tik ik in in Google. Dat lijkt me het beste wat ik doen kan. Kijken wie het is, hoe hij eruit ziet, wat ik ermee moet. Ik druk op Enter, zie 148.000.000 hits en lach beschaamd.