Afslag

Ik laat het gas los en aarzel. Rij ik door zoals zo vaak? In een opwelling stuur ik naar rechts. Vandaag sla ik af. De vertrouwde naamplaats uit mijn jeugd. Het hoekje waar een vriendje woonde, het was best ver fietsen als ik op zaterdag bij hem ging spelen. De weg naar een plukje boerderijen waar ik op een geleende brommer naartoe scheurde toen ik in die buurt verkering had. Hee, een nieuw fietspad. En dat transformatorhuisje staat er nog altijd. Links het bos met de vijver en de ijsbaan, rechts het kerkhof. Het witte hekje piept nog steeds. Het ruikt er naar paddenstoelen en rottend blad. Dan tussen de zerken de bekende steen die zwaarder lijkt dan dan ik mij herinner en ietwat achterover leunt. Even sta ik stil en inspecteer het tuintje op het graf. Ach, wat maakt het ook uit hoe het erbij ligt. Laat maar groeien die planten en dat boompje. Een windvlaag. Om me heen ploppen een paar eikels neer. Ik draai me om en loop hetzelfde pad terug. Een man in de verte steekt zijn hand op.

Kijkt

Weilanden. Verder weg een meertje. Dan een dorp waar ik tien jaar terug een huis zocht. De klinkerweg ziet er bekend uit, net als de patattent, de haven met de platbodem vol lampjes en het niet-gekochte huis. Achter het raam van de voorkamer staat een kleine tafel met een Perzisch tapijtje erop. Op de tafel een laptop en voor de laptop een man. Hij kijkt van het scherm naar buiten en dan weer terug naar het scherm. Steunt zijn hoofd met zijn linkerhand. Kijkt naar buiten. Kijkt naar het scherm en dan minutenlang schuin omhoog naar de regenlucht. Vanuit mijn geparkeerde auto zie ik het aan en denk dat ik gelukkig ben ontsnapt.

Zweem

Ineens is wat ik dacht verdwenen. Dat ik iets dacht, is zeker. En ik voel dat die gedachte van het allergrootst belang geweest zou zijn, dat die de wereld had veranderd. Maar ik schrok wakker uit mijn droom en zag de waarheid die ik vond op slag verdwijnen. Ik denk achteruit om terug te gaan naar waar ik was, maar nu mijn hersens wakker zijn, lost de binnenwereld langzaam op. Zelfs het gevoel dat ik iets verloren ben, dwaalt weg in een straaltje zon dat speels door de gordijnen kiert.

Slang

In de beek drijft een stok, groen, veralgd en misschien een meter lang. Hij schiet voorbij op de stroom als een slang die ik laatst zag in een film over de Amazone. Het beest kronkelde loom op weg naar zee, naar zwoele palmenstranden. Een groep ganzen vliegt laag over en hun gakken brengt me terug naar hier, naar lopen langs een koele beek, omringd door akkers vol met plassen en een lange rij bladloze bomen. Hier zijn geen slangen. Het is niet warm. Nee, als ik eerlijk ben, is het hier koud. Het water morgen zeker dichtgevroren, de stok gevangen in het ijs.