Prikkel

Knoop mijn schoenen dicht. Als ik ga staan, voel ik een steentje in de linker. Ik laat het zitten en ben me de hele dag bewust van elke pas.

Onbalans

‘Mag ik erlangs?’ vraagt het meisje dat naast hem zit terwijl ze alvast haar jas dichtritst.
Hij schudt zijn hoofd en verroert zich niet.
‘Ik moet er hier uit, mag ik er even langs.’
Ze staat half op en buigt ietwat over hem heen.
‘Nee. Nee, dat kan niet, want dat verstoort de balans in de coupé!’
Hij blijft zitten en perst zijn knieën tegen de stoelleuning voor hem zodat ze niet passeren kan.
Ze kijkt om zich heen of er iemand helpen wil. Maar alle passagiers zijn verdiept in hun mobiel.
‘Ik moet eruit,’ zegt ze dringend, ‘echt, hier moet ik eruit.’
Alsof zoiets zeggen zin heeft. Onbalans voorkomen gaat altijd voor. Want je weet niet wat er gebeurt als de symmetrie in de coupé wordt verstoord. Dan ziet hij uit een ooghoek dat er aan de overkant van het gangpad iemand opstaat en naar de open treindeur loopt. Direct trekt hij zijn knieën terug en maakt ruimte. Ze wring zich langs hem heen en rent de trein uit. Hij schuift door naar haar plek aan het raam. Ze staat op het perron en kijkt schielijk weg als ze hem ziet.

Tram

Fijne kamer, wel zo nu en dan een tram. Dat zei de recensie over dit hotel. Ik lig wakker. Een tram. Hij klinkt meer als een trein met een rustig kadoeng kadoeng, als een rolkoffer over een klinkerweg. Dan even niks. Wat stemmen in de verte. Weer een tram. Van de andere kant denk ik. Een zwaar grommen en het knarsen van de wielen in de rails. Bij het station, honderd meter verderop, stopt de tram. Dan snel optrekken en weer stilstaan voor de stoplichten op het plein, weer een korte sprint, gevolgd door een stop bij de eerste halte, direct onder het balkon van de hotelkamer. Het is al laat. Hoe laat weet ik niet. Of kan je de tijd uitrekenen met trams? Achttien heen en negentien terug. Met als tussenpoos nachtelijke stemmen en een aapgeluid uit het dierenparkje aan de overkant.

Weeromstuit

Een kale minister op tv. Terwijl hij rustig zit te praten landt er een vlieg op zijn hoofd. Even zit de vlieg stil, dan loopt hij brutaal heen en weer over de schedel van de minister die onverstoorbaar doorpraat. Wat een beheersing, denk ik en veeg van de weeromstuit over mijn eigen hoofd. Die vlieg moet ontzettend kriebelen, dat kan niet anders. Nog steeds laat de minister de wandelende vlieg met rust. Dan staat hij op en vertrekt. De vlieg blijft achter op het scherm.

Duitsland-Denemarken

‘Muts af, toon respect!’ Het klinkt als een bevel. De priester kijkt me aan. Zijn adem dampt in de koude lucht en als ik de muts van mijn hoofd gris, voel ik de kilte toeslaan. De priester waggelt weg in zijn dikke rode winterjas. Ik kijk hem na en zie bontgevoerde laarzen met spekzolen onder zijn rok uitkomen. Gekleed op kou. Niet zoals ik in een te dunne jas en nu met een bloot, kaal hoofd in deze ijzig koude, tochtige kathedraal. Een paar vrouwen met hoofddoek om lopen me tegemoet. Ik nies en zet respectvol mijn muts weer op. Ziek worden van een kathedraalbezoek kan niet de bedoeling zijn. Een tweede priester in eenzelfde rode winterjas en met een dikke rode sjaal om zijn nek wijst op mijn hoofd, muts af! Ik zet hem af en besluit de kathedraal te verlaten. Langzaam schuifelend tussen andere bezoekers volg ik de tochtstroom naar de deur. In het portaal van de Kölner Dom zet ik mijn muts weer op. De vrieskou buiten voelt als een opluchting.

De deur van de kathedraal Sint Ansgar valt geruisloos achter me dicht. Het is er warm en behaaglijk, druk ook met mensen in gangpaden en in de banken. Blootshoofds alle mannen. Natuurlijk zet ik mijn muts af. Steek een kaarsje aan en bewonder het prachtig beschilderde dakgewelf. Zo hoog. Zo groot. Zo heerlijk warm. De Deense god bevalt me stukken beter.