Paradijs

Zes kilometer maar naar Paradijs. Het lijkt een buitenkans. Eerst een grote weg, dan een smallere, dan een enkelbaans weggetje waar maar net één auto op past langs een hoge dijk met vergeeld gras. Na wat scherpe bochten en een paar verscholen huizen zegt Google Maps dat ik er ben. Niks bijzonders te zien. Misschien dat het achter de dijk ligt? Het draaihekje onderaan de smalle opgang piept en kreunt en draait met tegenzin open. Tree voor tree beklim ik de groen uitgeslagen betonnen trap tegen de dijk omhoog. Bovenaan de trap nog zo’n hekje. Het krijst jammerlijk als ik me erdoorheen wring. Dan uitzicht op een meertje. Vol verwachting kijk ik rond. Een paar peinzende vissers, een waterskiër die maar blijft vallen, wat bomen en in de verte heel veel industrie. Al snel draai ik me om, trek het gillende hekje open en daal de traf af naar beneden. Paradijs lijkt angstig veel op de wereld die ik ken.

Zag

Vannacht zag ik een rol papier op de vloer, bukte om hem op te rapen en gleed met mijn vingers door een smalle bundel maanlicht.

Stof

Het huis is leeg. De nieuwe kast, die prima bank, de schilderijtjes aan de muur, de klok die herinnert aan hun 25jarig huwelijk, alles wat van waarde leek is weggegooid. Het laatste sopje wist haar geuren uit, lost haar sporen op. Hoeveel kan een mens bewaren. Als ik straks thuis ben, krijgt de stofzuiger -mijn erfenis- een nieuwe zak. De oude gooi ik in de vuilnisbak, haar sporen achteloos vermengd met vuil van alle buren. De lijstjes met de laatste klusjes afgestreept. Op het aanrecht staat een doos met de rouwkaarten die overbleven, niemand die ze nu al weg kan gooien.
‘U bent altijd welkom,’ zegt de nieuwe huurder, ‘als u hier nog eens wilt kijken, van harte, dan komt u toch bij mij op de koffie!’ Maar ik wantrouw zijn vage blik, de druppel aan zijn neus, zijn scheve loop en hoe hebberig hij kijkt naar een kast die hij later toch ruimhartig overneemt.
Veel herinnert me niet aan haar. Een foto van mijn vader in een lijst die altijd op de schoorsteenmantel stond, een trouwring met zijn naam erin, een stofzuiger die ik niet gebruik en zo nu en dan in onze keuken een theedoek die ik niet herken, waar ik bij beter kijken een merkje op ontwaar en dan met leesbril op haar naam kan lezen. En soms -zoals daarnet toen ik de trap afliep- denk ik dat ik haar nodig weer eens bellen moet.

Rag

Ik ben de eerste die hier loopt vandaag. Om de paar meter voel ik spinnendraden op mijn gezicht, in mijn stoppelbaard, op mijn blote armen. Ze zijn dik en sterk en bieden weerstand. En als ze knappen -met een hoorbaar plopje soms- kriebelen ze langs mijn neus.
Per ongeluk glijdt mijn blik langs mijn t-shirt naar beneden. Drie dikke spinnen rennen op navelhoogte driftig heen en weer. De grootste lijkt mijn beweging op te merken en klimt zo snel hij kan omhoog in de richting van mijn keel. Met een gerichte beweging tik ik hem van me af. Denk ik. Want het beest grijpt zich vast aan de kleverige draden die nog aan mijn vingers plakken. Ik wapper mijn hand heen en weer en veeg langs de bast van een berkje. Het lukt. De spin rent omhoog langs de stam. De andere twee spinnen zitten nog steeds op mijn shirt. Bewegingloos alsof ze zich beraden op wat ze zullen doen nu er een minder is. Maar ik geef ze geen kans en schudt de stof heen en weer totdat ze vallen. Met mijn armen als een breekijzer voor mijn gezicht loop ik verder. Later in de auto kijk ik in de spiegel. Spinrag hangt als vergeten grijze haren aan mijn kale kop.

(Dit is een van mijn drie korte verhalen uit de bloemlezing ‘Alles wat hier wortel schiet’ met werk van 33 schrijvers uit Drenthe. Te koop via http://www.drentheboeken.com/Webwinkel-Product-252833159/Alles-wat-hier-wortel-schiet.html)

Dag!

‘Dag schaap,’ klinkt een heldere stem achter me. Het is bijna laagwater, de kreken in het stille natuurgebied lopen langzaam leeg naar zee. De zachte klei zuigt bij elke pas mijn laarzen vast en maakt mijn stappen zoekend en onzeker.
‘Dag meeuwen,’ zingt de meisjesstem. Ik kijk om. Ze loopt een paar meter voor de rest van het gezin en huppelt over het pad. Onwillekeurig lach ik naar haar en doe in gedachten mee. Groet het blauwgroene gras, een dode krab, de middagzon, de blauwe lucht met witte wolken, zwaai naar een schip op weg naar zee, glimlach naar de doorgezwete hoed op mijn hoofd, naar de schaduw onder de bomen, de dichtdreunende deur van de auto, de koelte van de airco en naar een meisje dat de wereld vrolijk maakt. Dag!

Druk

Op het fietspad langs de provinciale weg staan twee wielrenners. Allebei in een zwarte outfit. Eerst zij. Ik zie haar op de rug. Ze staat stil. Benen half wijd. Haar fiets schuin onder zich. Een hand in haar zij. De andere hand houdt haar mobiel vast. Met gebogen hoofd kijkt ze ingespannen naar het scherm. Dan hij, twintig meter verder. Ik zie hem op zijn rug. Hij staat stil. Zijn benen klemmen zijn fiets vast. Zijn linkerhand rust op het stuur en zijn rechterhand duwt zijn mobiel tegen zijn rechteroor. Hoofd rechtop. Mond beweegt. Even probeer ik te achterhalen in welke volgorde deze situatie is ontstaan. Werd hij gebeld en stopte hij om relaxed te kunnen praten en stopte zij toen ook met lichte tegenzin en appt ze nu wat om de tijd te doden? Hoorde zij het bliepje van een appgroep, stopte ze om te kijken en ging hij toen bellen? Reed hij ver vooruit en wacht hij heel attent op haar en belt hij nu om ondertussen even iets te doen en was zij er sneller dan hij dacht en checkt ze tot zijn gesprek is afgelopen eventjes haar berichten? Of is zijn belgedrag op elke tocht een bron van ergernis en is ze het nu zat, appt ze haar beste vriendin of die haar op wil komen halen? Voor ik de puzzel op kan lossen rij ik de bebouwde kom binnen. Het is er net zo druk als in mijn hoofd.

Scoort

Achter het huis zit ik te niksen met lekker sterke thee. Ik speur naar iets dat eeuwig is, zie paardenbloemen, gras, een sloot, bomen, wolken. Mussen tsjilpen in de struiken. Een eenmotorig vliegtuig trekt laag over. Verderop in het dorp klinkt luid gejuich, het voetbalelftal scoort. Veel eeuwigheid nog niet gevonden. Alleen een beetje leven. Kalm en kabbelend. Op een warme zondagmiddag terwijl er in de verte onweer dreigt.

Geel

‘En nu nog in dit potje plassen, dan zijn we klaar,’ zegt de prikdame na het aftappen van een paar buisjes bloed. Ik schud mijn hoofd. ‘Ook niet een klein beetje?’ Ze wijst met haar vinger een zeer bescheiden hoeveelheid aan op het doorzichtige potje. ‘Dan maar thuis doen en daarna even langsbrengen,’ zegt ze.
Een paar uur later loop ik over het parkeerterrein naar de hoofdingang van het ziekenhuis. In mijn linkerhand het halfvolle potje. Ik beweeg voorzichtig zodat het niet teveel klotst. Kan zo’n potje eigenlijk lekken? Iedereen weet waar ik mee loop, denk ik als ik een vrouw naar me zie kijken en daarna ook haar man zijn hoofd mijn kant op draait. Toch gek om zo achter je eigen urine aan te lopen. Want iets anders kan het niet zijn, die gele vloeistof in een doorzichtig potje waarmee ik richting ziekenhuis loop. In de hal val ik niet op, maar in de wachtkamer van de prikpolie is het druk. Veertig paar verveelde ogen staren naar me als ik me bij de balie meld. De dienstdoende dame pakt de papieren van me aan en vraagt mijn geboortedatum. Het voelt nog warm als ik haar het potje overhandig.

Zonde

‘Dit beest was bang,’ zeg ik terwijl ik van het vlees proef. ‘Het smaakt naar angst, paniek, verbijstering. Ja, dit vlees was bang. Heel erg bang.’
Mijn gastheer kijkt verbaasd en proeft een hapje van mijn bord.
‘Het smaakt precies als anders,’ zegt hij. ‘Eet er maar omheen. Of eet het op. Het is al betaald, het beest is al geslacht, zonde om het weg te gooien.’ Hij spoelt zijn woorden weg met witte wijn. Ik neem een slokje van mijn thee van vers geplukte munt. En vraag me af of het plantje ernstig heeft geleden.

Toon

New York, Metropolitan Museum. Een grote zaal met schilderijen en een paar experimentele beelden. Ergens in de ruimte klinkt een schurend geluid. Het jaagt de rillingen langs mijn rug en ik zie kippenvel op mijn armen. Ik blijf staan en luister aandachtig hoe het geluid van toon verandert en de ruimte vult, kijk zoekend rond bij welke beeld het hoort. Of is het geluid een kunstwerk op zich? Interessant! En enthousiast speur ik de ruimte af naar een titelbordje. Maar ik vind niks. ‘Dat geluid, die klanken?’ vraag ik een van de bewakers. Hij zegt iets terug in rap Amerikaans dat ik maar half versta en maakt een armgebaar dat de hele ruimte omvat. Het geluid stopt. Ik geef het op en loop door naar de volgende zaal. Een man in werkkleding komt me tegemoet. Een lange ladder op zijn schouder, een slijptol in zijn rechterhand.

Een sneltrein door de golven

De boot schudt en stampt. Binnen klinkt het of we als een sneltrein door de golven stuiven, het water sist langs de romp en de wind huilt rond de vallen en de mast.
‘Het is veel rustiger dan het nu lijkt,’ lacht de schipper die me wakker maakt, vlak voor mijn hondenwacht begint, ‘dat zie je wel als je zo meteen buiten bent.’

Het is aardedonker, waterdonker, ver weg geeft weerlicht kleur aan de wolken. De boot helt en ik hou me stevig vast, terwijl de slaap uit mijn gedachten waait. Ik voel me als een kind dat per ongeluk de handrem van papa’s auto heeft losgemaakt en nu van een helling naar beneden suist. De wind trekt aan. De zee is ongedurig, net als ik.

Uit Hondenwacht. Even inkijken?

De grote blauwe zee

Ik heb de zee niet aangeraakt in al die weken dat we haar bevaren. Niet gezwommen, niet pootje gebaad, niet overboord gevallen. Soms kwam de zee naar mij. In spetters vanaf de boeg, als regen en via natte vallen en landvasten.

De zee zit in mijn broek die wit is uitgeslagen van het zout, in het zeilpak dat aan alle kanten plakt,
in de makreel die koploos in de pan belandt, op mijn gezicht als ik mijn lippen lik,
in mijn eten dat vanzelf op smaak komt als ik het aanraak met mijn handen.

Maar de zee, de grote zee, de zwarte, blauwe, groene, grijze zee, onaangeraakt, door mij onaangeraakt.

Uit Hondenwacht. Even inkijken?

Eelt en zout

Ze worden anders. Mijn soepele, fragiele tekstschrijvershanden veranderen. Stijf zijn ze als ik opsta. Stokjes. Takjes. Dikker lijken ze dan vroeger, stram en op een rare manier gevoeliger.

Mijn haar voel zachter nu met deze vingers en heeft een nieuwe structuur. Niet meer stug als uitgegroeide schubben, stekels, maar zijdezacht en ongrijpbaar vlassig als van een baby of een oude moeder. Gevoeliger voor de tegendruk van touw en staal. Ongevoeliger voor de zachte huid van hond en vrouw.

Uit Hondenwacht. Even inkijken?

Net op tijd

Mijn linkerhand is bedekt met aarde, een dikke korst zand die vastzit en mijn huid vervangt. Er groeien mossen op en kleine plantjes. Ik kijk ernaar en weet dat ik het nú moet doen! Met mijn rechterhand wrijf ik doelgericht de korst van aarde weg. Het voelt als het zand dat je tussen je tenen blijft plakken als je blootsvoets op het strand gelopen hebt. Ik hoor het ruisen van de korrels die in een wolk van zand de grond bereiken. Een nieuwe, roze huid bedekt mijn hand en ik slaak een zucht van verlichting. Dat was maar net op tijd. En schrik wakker uit een dutje. Woester droom ik deze dagen. Nog steeds regent het.

Uit Hondenwacht. Even inkijken?

Op vol vermogen

Buiten bereik. Mijn mobiel schreeuwt om contact, zendt op vol vermogen de boodschap uit dat ik er ben en dat ik praten wil, wil appen, sms-sen, het weer bekijken. Geen service, zegt het scherm al de hele dag.

Het derde uur van de hondenwacht begint en ik zit aan de kaartentafel en schrijf op mijn tablet. Ik tik het woordje ‘een’ en de spelling suggereert om door te gaan met ‘dooie’, ‘vrouw’ of ‘zeilboot’. Ik wilde schrijven: een passagiersschip aan de horizon. In gedachten ben ik daar aan boord en dans terwijl het orkest enthousiast een walsje speelt.

Uit Hondenwacht. Even inkijken?