Ten

Het is onacceptabel. Ik veroordeel het ten sterkste. Dit kan niet. Dit moet niet. Dit gaat tegen alles in wat wij belangrijk vinden. Het moet stoppen. Het moet nu stoppen. Sterker dan dit kan ik het niet zeggen. Ik veroordeel het ten sterkste. Ik herhaal het graag. Ik veroordeel het ten sterkste. Ik herhaal het graag. Ik veroordeel het ten sterkste. Ik herhaal het graag. Ik veroordeel het ten sterkste. Ik herhaal het graag. Ik veroordeel het ten sterkste. Sterkere taal heb ik niet. Ik veroordeel het ten sterkste. Wij veroordelen het ten sterkste. Het moet stoppen. Het kan niet. Het mag niet. We willen dit niet. Ja, ik herhaal het graag nog een keer zodat iedereen het weet. We. Veroordelen. Het. Ten. Sterkste.

Niets

‘Zo moet je niet denken.’ Een man met zijn fiets aan de hand leunt over naar een jonge vrouw in een rolstoel, net als ik voorbijloop. Een oudere vrouw staat zwijgend achter haar.
‘Want het gaat niet om wat je niet meer kunt,’ vervolgt-ie zijn betoog, ‘maar om wat je nog wél kunt, om een positieve levensinstelling.’
Ze is even stil.
‘Ja, maar ik kan helemaal niets meer.’
De jonge vrouw kijkt naar hem op. Haar stem is licht geïrriteerd.
‘Zelfs zitten doet me vreselijk pijn. En elke dag wordt het slechter. Ik wil wel van alles, maar ik kan niks. Niks! En dan moet ik positief zijn?!’
Benieuwd naar hun gezichten, kijk ik om. Ze zien me kijken. Het gesprek valt stil. Als een gesloten front staren ze naar mij. Een welkome vijand.

Ginds

Er is daar niks. Ik was er al en zag dat daar niks bijzonders is. Dat klinkt onschuldig en dat was het ook. Maar toen ik terug kwam, wist ik dat ik was veranderd. Het weten dat daarginds niks te vinden is, heeft mij veranderd. Mijn besef van deze plek verdiept. Mijn behoefte weg te gaan, is aangetast en opgeslurpt. Er is geen reden meer voor een vertrek. Net als er ook nooit een reden is geweest om daarginds heen te gaan. Nee, ik had niet hoeven gaan. Iedereen weet toch dat daar niks te vinden is. Maar ik was eigenwijs en ging. Om te ontdekken dat ze gelijk hebben gehad. Dus ik verzeker je, er is daar niks. Blijf thuis. Want als je gaat, zul je ontdekken dat ik en al die anderen gelijk hebben. En die ontdekking zal je hopeloos veranderen. Dus ga niet. Blijf thuis. Er is daar niets te vinden.

Vanzelf

Dagenlang. Nachtenlang. Hij zat op een bankje aan de rand van het park. Zo op het oog een keurige man, zelfverzekerd en ontspannen. “Ik maak de tijd zoek,” zei hij toen ik vroeg wat hij op dat bankje deed. “Tenminste dat probeer ik. Ik heb er simpelweg teveel van en ik weet me er geen raad meer mee. Dus ik maak hem zoek. Je ziet het vanzelf als het is gelukt, want dan ben ik verdwenen. Zonder tijd is er immers geen bestaan.” Op een ochtend toen ik de hond uitliet was hij weg.

Russel

B Russel, het staat in potlood neergekrabbeld op een briefje naast mijn bed, dwars door een andere tekst. Het zegt me niks, geen idee meer wie het is of waarom ik die naam heb opgeschreven. Aan het handschrift zie ik dat het donker geweest moet zijn en de grote letters zeggen me dat ik het heel erg nodig vond om dit te onthouden. En ja, ik ken een Russell, maar die is met twee ll-en op het eind. Ik neem het blaadje mee naar beneden, zet mijn computer aan en wacht geduldig tot het ding is opgestart. B Russel tik ik in in Google. Dat lijkt me het beste wat ik doen kan. Kijken wie het is, hoe hij eruit ziet, wat ik ermee moet. Ik druk op Enter, zie 148.000.000 hits en lach beschaamd.

Steel

Op tafel ligt een dode vlinder. Vleugels uitgespreid. ‘Zo’n vlinder is gemaakt om te vliegen,’ zegt ze en wuift met haar hand naar het dode dier dat de wind haast lijkt te voelen en over tafel dwarrelt. Dat had ik zelf wel willen zeggen, denk ik en steel haar woorden. Meer kan ik over vlinders niet vertellen – los van dat ze mooi zijn, kwetsbaar, dat ik van ze hou om hoe ze fladderen, niet lijken te weten waar ze gaan om altijd ergens uit te komen – dat ze gemaakt zijn om te vliegen en dat je dat bedenkt op een moment dat die waarheid ertoe doet. Het inzicht hebt. Hardop zegt. Mij in stilte achterlaat. Ik inspecteer de spikkels op de vleugels, check de veldgids-app. Zandoogje. Het is de bonte.

Zonde

‘Dit beest was bang,’ zeg ik terwijl ik van het vlees proef. ‘Het smaakt naar angst met een flinke scheut paniek en een zweem verbijstering. Ik proef ontheemd zijn en de kudde missen. Ja, dit vlees was bang. Heel erg bang.’
Mijn gastheer kijkt verbaasd en neemt een hapje van mijn bord.
‘Het smaakt precies als anders,’ zegt hij. ‘Eet er maar omheen. Of eet het op. Het is al betaald, het beest is al geslacht, zonde om het weg te gooien.’ Hij spoelt zijn woorden weg met witte wijn. Ik neem een slokje van mijn thee van vers geplukte munt. En vraag me af of het plantje ernstig heeft geleden.

(Ook opgenomen in Valwind)

Ree

Verlicht door de zon zie ik honderd meter verderop een ree tussen de bosjes staan. Tien meter ernaast staat nog een ree en even verder weer een. Ze kijken mijn kant op. Onbeweeglijk kijken ze mijn kant op. Stokstijf staan ze naar me te kijken of op z’n minst in deze richting, naar mij of naar het huis, de ondergaande zon. Minutenlang kijk ik terug. Op tafel staat een kijker, ik zou hem kunnen pakken om ze van dichtbij te te zien, maar ik doe het niet. Het reflecterend glas zou ze kunnen laten schrikken. Of wellicht zie ik dan bevestigd wat ik eigenlijk al weet. Dat het geen reeën zijn. Dat de avondzon wat onbegroeide stukjes boomstam bruinig-geel verlicht en de rest gedaan wordt door mijn wens een ree te zien. Onbeweeglijk in het laatste licht van de ondergaande zon.

Front

De koeien staan achterin de wei te dromen. Schrikken wakker als ze mij zien komen. Ik loop langs de beek over een schouwpad van het waterschap. Links de weide, rechts het water. Een koe zet een stap mijn kant op en langzaam komt de groep in beweging. Groeit uit tot een front van spieren en vlees, een grote groep zwijgende koppen met ogen die staren en zich niet laten lezen. Ze stappen gewillig opzij als de stier komt kijken. Hij stopt drie meter bij me vandaan. Schudt zijn kop. Snuift. Gromt. Kromt zijn rug. Spuit een flinke straal mest naar de grond. Krabt met zijn rechtervoorpoot diep in het gras. Ik sta stil. Het prikkeldraad lijkt kwetsbaar en dun.

Audiokunstwerk op Schokland

Dit is de kerk van Museum Schokland. Vanaf volgende week zondag hoor je daar mijn voor deze plek gemaakte audiokunstwerk. Tegelijkertijd exposeert Saskia Boelsums in de naastgelegen pastorie ruim veertig van haar landschapsfoto’s. En dan kun je op het voormalige eiland ook nog een zes kilometer lange internationale kunst- en poëzieroute lopen of fietsen.

Beide exposities en de kunstroute zijn te zien van 23 juni tot en met 22 september.

Zweem

Ineens is wat ik dacht verdwenen. Dat ik iets dacht, is zeker. En ik voel dat die gedachte van het allergrootst belang geweest zou zijn, dat die de wereld had veranderd. Maar ik schrok wakker uit mijn droom en zag de waarheid die ik vond op slag verdwijnen. Ik denk achteruit om terug te gaan naar waar ik was, maar nu mijn hersens wakker zijn, lost de binnenwereld langzaam op. Zelfs het gevoel dat ik iets verloren ben, dwaalt weg in een straaltje zon dat speels door de gordijnen kiert

(Uit Valwind)

Oranje

Vroeg van huis om ruim op tijd te zijn voor de trein. Stoplicht op rood. De brug draait open en ik wacht, blij dat ik zoveel marge heb. Half verscholen in een kast drukt de ietwat gezette brugwachter op de knoppen. Zijn fiets geparkeerd tegen het vaste deel van de leuning. De trein nog net gehaald en terwijl het landschap voorbijglijdt, bedenk dat ik net ik zo goed veel later van huis had kunnen gaan. De brug was alweer dicht geweest, probleemloos was ik doorgereden, zou niet geweten hebben dat de brug gedraaid had. Misschien niet eens een brug gezien. Terloops de stevig gebouwde fietser voorbijgereden. Een verrassende verschijning in zijn oranje werkjas tussen de voetballertjes op weg naar hun wekelijkse wedstrijd.

Op de grens

Met mijn ogen dicht hoor ik de wind van vleugels. Een engel vliegt voorbij, keert en landt over de sloot in een graslandje met paardenbloemen. Als ik mijn ogen open, wolkt het pluis hoog op. Een vlinder vecht zich vrij, fladdert zoekend rond, ontwijkt een mus die opvliegt met een pijpje stro. Zeven spreeuwen stuiven weg als een groepje kraaien overvliegt. Ik sluit opnieuw mijn ogen. Luister. Maar de engel is verdwenen, vervangen door alledaagse dingen zoals de afwas en wat ik straks zal koken.

Streetview

‘Voor wie haar nog een keer wil zien, als je op Google Maps kijkt, zit ze op haar bankje voor het huis,’ zei mijn neef jaren geleden op de begrafenis van zijn moeder. Vandaag zoek ik het adres en kijk. De aanblik van het huis aan de gracht is nog vertrouwd na al die jaren, maar mijn tante en het bankje zijn verdwenen.

Nu ik toch zo bezig ben, tik ik het adres in waar mijn moeder in haar laatste jaren woonde. Het balkon is leeg, de begonia’s in de bloembakken bloeien, de groene tuinstoelen staan uitgeklapt te wachten onder het vogelhuisje waar de mezen wonen. De deuren zijn dicht en het huis ziet er verlaten uit. Ik schuif het beeld naar de parkeerplaats van het bejaardenhuis. Nee, ik was er niet die dag. Ook geen andere bekende auto’s. Ik focus op een ander stukje van het dorp waar ze vijftig jaar gewoond heeft. Een lege straat. Een huis dat lijkt te slapen. De gordijnen zijn vreemd, de wilde tuin getemd met gras en stenen. Het schuurtje met het bijna platte dak waarop ik stiekem speelde, is vervangen door een garage. De vogelkers die mijn vader uit het bos gestolen had, geofferd voor een oprit.

Twee kilometer verder naar het zuiden zoek ik naar het huis waar ik geboren ben. Het is gesloopt en vervangen door een twee-onder-een-kap. Verdwenen is de sombere kamer waar tevergeefs de kachel loeide, weg de gang waar ik de rode step vond toen ik drie werd, omgehakt de coniferen waartegen ik samen met mijn vader stond te pissen omdat er ratten in het poephok woonden. Het boerderijtje van de buren staat er nog, met op de deel – verstopt onder een grijze deken – de lijkwagen van het dorp. Ergens in die ruimte zwerft nog steeds de panter die me schrikken liet maar door verder niemand is gezien.

Ik zit voor mijn pc en inspecteer met Google Maps de plaatsen die ik ken. Soms zie ik iets vertrouwds, maar de mensen die er woonden zijn vertrokken of niet thuis. Ook mijn eigen huis vertoont geen spoor van leven.

(Het langste verhaal uit mijn nieuwe boek Valwind: www.peterveen.nl/valwind)