Eelt en zout

Ze worden anders. Mijn soepele, fragiele tekstschrijvershanden veranderen. Stijf zijn ze als ik opsta. Stokjes. Takjes. Dikker lijken ze dan vroeger, stram en op een rare manier gevoeliger.

Mijn haar voel zachter nu met deze vingers en heeft een nieuwe structuur. Niet meer stug als uitgegroeide schubben, stekels, maar zijdezacht en ongrijpbaar vlassig als van een baby of een oude moeder. Gevoeliger voor de tegendruk van touw en staal. Ongevoeliger voor de zachte huid van hond en vrouw.

Uit Hondenwacht, https://1boek.nl/artikel/9789082821208/hondenwacht

Net op tijd

Mijn linkerhand is bedekt met aarde, een dikke korst zand die vastzit en mijn huid vervangt. Er groeien mossen op en kleine plantjes. Ik kijk ernaar en weet dat ik het nú moet doen! Met mijn rechterhand wrijf ik doelgericht de korst van aarde weg. Het voelt als het zand dat je tussen je tenen blijft plakken als je blootsvoets op het strand gelopen hebt. Ik hoor het ruisen van de korrels die in een wolk van zand de grond bereiken. Een nieuwe, roze huid bedekt mijn hand en ik slaak een zucht van verlichting. Dat was maar net op tijd. En schrik wakker uit een dutje. Woester droom ik deze dagen. Nog steeds regent het.

Uit Hondenwacht. Klik hier om het boek in te kijken of te bestellen.

Op vol vermogen

Buiten bereik. Mijn mobiel schreeuwt om contact, zendt op vol vermogen de boodschap uit dat ik er ben en dat ik praten wil, wil appen, sms-sen, het weer bekijken. Geen service, zegt het scherm al de hele dag.

Het derde uur van de hondenwacht begint en ik zit aan de kaartentafel en schrijf op mijn tablet. Ik tik het woordje ‘een’ en de spelling suggereert om door te gaan met ‘dooie’, ‘vrouw’ of ‘zeilboot’. Ik wilde schrijven: een passagiersschip aan de horizon. In gedachten ben ik daar aan boord en dans terwijl het orkest enthousiast een walsje speelt.

Uit Hondenwacht. Klik hier om het boek in te kijken of te bestellen

.

Nieuw! Hondenwacht als boek

Dagdromen door slaaptekort, ontdekken dat Sirenen echt bestaan, onderlinge irritatie na weken varen, wat als er windkracht acht komt, de heimwee naar een vers broodje en de veel te kleine vliegtuigstoel op weg naar huis…

Hondenwacht neemt je mee naar zee. De ruim zestig belevenissen zijn geschreven om wakker te blijven tijdens de hondenwacht. En na zes weken doorvaren over Noordzee, Kanaal en Golf van Biskaje ontstond er een nieuwe werkelijkheid. Een grensgebied tussen wakker zijn en dromen.

Het is een prachtig boekje geworden. De vormgeving is van Monique Kalfsbeek en het schilderij op de cover is van Giovanni Winne. Even inkijken?

 

Snib

Van ver al zie ik dat hun hond losloopt, keurig naast de baas. Mijn hond loopt ook los, dus dat komt wel goed. Hij is wat stram vandaag en hinkt soms een beetje. Leeftijd. Als we vijftig meter van hen vandaan zijn, steekt hij het wandelpad over en hobbelt hun hond tegemoet. Ze kwispelen allebei. Ik groet. De man en de vrouw kijken weg en reageren niet. Hij speurt de horizon af naar ander leven en zij houdt haar blik strak gericht op de honden die aan elkaar ruiken.
‘Kom, Fleur, daar houd ik niet van,’ snibt ze.
‘Fleur, kom mee,’ roept hij halfhard op gebiedende toon.
Ik loop door – mijn hond komt vanzelf achter me aan – en kijk nog even om. Fleur loopt in de pas naast haar baas en hij weer keurig in de pas naast zijn vrouw.

Gat

Soms komt er iemand langs die allang is overleden, onaangekondigd als een regenbui op een zomerdag, een oprisping met tranen, een gat in de tijd dat openspringt en langzaam opvult met de dagelijkse dingen zoals autorijden, eten en de hond uitlaten. Ik trek mijn laars los uit de waddenklei en zie hoe de modder terugstroomt, de ruimte die er even was verorbert. Eerst komt het water, daarna volgen de korrels. Dan is het gat verdwenen. Tot ik opnieuw een stap zet en een volgend gat forceer door weg te zakken, los te trekken, door te lopen. Na honderd meter als ik achterom kijk geen spoor vanwaar ik kwam. Soms treft me iemand die allang is overleden, tot ik beweeg, het gat zich sluit en ik vergeet, niet weet, vaak niet eens meer weet.

New York shake

Mijn koffer laat ik voor wat hij is en ik ruk de gordijnen open. Wolkenkrabbers! Dat wil je zien als je in New York City bent, zelfs uit het raam van je hotelkamer. Het voelt of de vloer trilt. Onzin. Nee, echt. De vloer trilt. Een kleine beweging die licht begint onder mijn voeten en langs mijn kuiten omhoogkruipt naar mijn dijbenen en bekken. Is het de wind die door de straten jakkert en aan de huizen en gebouwen rukt? Staat het hotel op een stalen frame dat trilt als er een auto langsdendert? Misschien het vliegtuig dat nog naschudt in mijn spieren? Opwinding dat ik in New York ben? Zo moe dat ik het heelal voel resoneren? De gedachten buitelen over elkaar. Ik laat me in een stoel vallen en check de thee die in een glas op een tafeltje staat. De thee kijkt rimpelloos terug. Het licht van de neon-reclames gluurt naar binnen en tekent blauwe en roze vegen op de muur. In de straat hoor ik schreeuwen, auto’s en zo’n typisch Amerikaanse sirene. Wahwahwah, woeoeoeoeiiiiiiii. Onder mij trilt nog steeds de wereld.

Hungry

‘Goodmorning. I hope you all have a great day.’ De deuren op de kopse kant van de metro zwiepen open. Een grote zwarte man stapt binnen. Ik denk aan kaartcontrole, maar hij ziet er wat rommelig uit en de plastic zak in z’n rechterhand past niet bij een controleur. Zonder een moment van aarzeling praat hij door en zijn zware stem vult de hele wagon.

‘I am sorry to disturb you, but I am homeless and hungry and it would be great if you could help me out with a quarter or a dime or something to eat. Thank you and may God bless you.’

Na de korte speech loopt hij langzaam de wagon door en rammelt een koffiebeker met muntjes op en neer. De meeste mensen kijken stug voor zich uit. Een enkeling zoekt naar wat muntgeld. Een halve minuut later vertrekt hij door de deuren aan de andere kant van de wagon. Even het felle geluid van ratelende wielen. Dan knalt de deur weer dicht en en de coupé vult zich met de zware geur van olie en metaal.

Vakantiekiekje

Ze pakt haar camera, lacht en kijkt vragend. Geroutineerd trek ik mijn fotogezicht, voorhoofd ontspannen, lachrimpeltjes rond mijn ogen, mondhoeken iets omhoog maar net niet zo ver dat mijn oren meeschuiven en een vrolijk gevoel rond mijn maag. Freeze. Klikt u maar.

Koffer

‘Waneer geef ik nou fooi en hoeveel?’ Tijdens een etentje in Manhattan vraag ik het twee tafelgenoten. Gek word ik van het Amerikaanse fooiensysteem, want wanneer wel en wanneer niet en hoeveel dan?
‘Als ze gewoon hun werk doen, geef ik geen fooi,’ zegt de een, ‘daarvoor moeten ze iets extra’s gedaan hebben.’
‘Wat een onzin,’ zegt de ander, ‘horeca en taxi doe ik altijd want die verdienen echt haast niks,’ zegt de ander.
‘Dus de man die in het hotel de deur voor ons openhoudt moet een fooi?’
‘Nee, dat is zijn werk, maar als hij je koffer naar binnen draagt, dan wel.’
‘Die koffer draag ik toch gewoon zelf?’ anwoord ik.
Hij kijkt me verbaasd aan.

So Sorry

‘En nu nog een schitterende foto als herinnering!’ De kaartverkoper duwt ons voor een groen scherm. Protesteren en zeggen dat we die foto echt niet willen, helpt niet. ‘U krijgt er geheid spijt van als u het niet doet, dat risico wilt u toch niet lopen! En u hoeft ze niet te kopen, het is echt vrijblijvend!’
Dus we trekken op verzoek een lachend gezicht, zeggen op commando “cheers” en steken als de fotograaf het vraagt met een big smile onze duimen omhoog.
Het is stil op de boot die ons rond Manhattan vaart, er staat een gure wind en uit de dreigende lucht valt zo nu en dan een felle bui. Vlak voor we vertrekken, komt een dame met een blik van herkenning op ons af. Ze opent een felblauw A4-mapje en daar staan we dan, breedlachend en superamerikaans met onze duimen omhoog, gefotoshopt tegen de achtergrond van Manhattan. We kijken elkaar verbijsterd aan, het is nog erger dan we hadden verwacht. Vijftig dollar slechts voor het hele mapje met acht foto’s en twintig voor alleen die met de opgestoken duimen. Sorry. So Sorry. Maar we kopen ze niet. Even later haal ik een chocoladekoek en een kartonnetje thee voor ons beiden. Achttien dollar sir. Hun wraak is zoet.

Inzicht

Met een druk hoofd schrik ik wakker en weet een briefje naast mijn bed met woorden die ik perse moest onthouden, het inzicht uit mijn droom dat alles zou verklaren. Hardop lees ik: gotam grassie, gotam grassie.

Speeltijd

‘Ik praat niet meer tegen je, want je kan niet luisteren.’
De vader klinkt streng. Zijn jonge dochter kijkt verbolgen naar hem op.
‘Ik kan wel luisteren!’
‘Net toen ik wat zei, luisterde je niet en daarvoor ook niet en dáárvoor ook niet.’
‘Maar toen was het speeltijd.’
‘Dat kan wel, maar ik ga toch niks zeggen want je ogen staan alweer op spelen en niet op luisteren.’
Zijn toon is rustig en bezwerend. Alles onder controle.
Drie keer huppelde ze langs in haar groene prinsessenjurk. Dansende krullen. Zwarte lakschoentjes tiptappend op de vloer van de trein en een vrolijk ‘Zeg Roodkapje, waar ga je henen.’
‘Denk je dat dat lukt, luisteren? Ga eerst maar eens netjes zitten.’

+1

Het lijkt een plukje gras middenop een asfaltweg. Verdwaald. Vastgekleefd aan een paardenhoef en er na verloop van tijd weer afgevallen, weggespat van een trekkerband, losgeweekt uit een profielzool. Mooi contrast, denk ik, dat natte groen van gras en het matte grauw van asfalt. Ik vis mijn mobiel uit mijn broekzak om een foto te maken. Als ik door mijn knieën zak, krijgt het gras meer vorm en er ontpopt zich een structuur, de sprietjes worden poten, vleugels. Het groen krijgt een snufje blauw en mijn ogen die een +1-bril goed zouden verdragen, ontwaren een sprinkhaan die is platgereden. Op het platteland is de dood altijd vlakbij. Ik maak het kiekje en loop door. Alles is anders als je een bril opzet.