Duitsland-Denemarken

‘Muts af, toon respect!’ Het klinkt als een bevel. De priester kijkt me aan. Zijn adem dampt in de koude lucht en als ik de muts van mijn hoofd gris, voel ik de kilte toeslaan. De priester waggelt weg in zijn dikke rode winterjas. Ik kijk hem na en zie bontgevoerde laarzen met spekzolen onder zijn rok uitkomen. Gekleed op kou. Niet zoals ik in een te dunne jas en nu met een bloot, kaal hoofd in deze ijzig koude, tochtige kathedraal. Een paar vrouwen met hoofddoek om lopen me tegemoet. Ik nies en zet respectvol mijn muts weer op. Ziek worden van een kathedraalbezoek kan niet de bedoeling zijn. Een tweede priester in eenzelfde rode winterjas en met een dikke rode sjaal om zijn nek wijst op mijn hoofd, muts af! Ik zet hem af en besluit de kathedraal te verlaten. Langzaam schuifelend tussen andere bezoekers volg ik de tochtstroom naar de deur. In het portaal van de Kölner Dom zet ik mijn muts weer op. De vrieskou buiten voelt als een opluchting.

De deur van de kathedraal Sint Ansgar valt geruisloos achter me dicht. Het is er warm en behaaglijk, druk ook met mensen in gangpaden en in de banken. Blootshoofds alle mannen. Natuurlijk zet ik mijn muts af. Steek een kaarsje aan en bewonder het prachtig beschilderde dakgewelf. Zo hoog. Zo groot. Zo heerlijk warm. De Deense god bevalt me stukken beter.

Smaakje

‘Koffie alsjeblieft.’
‘Welk smaakje wilt u, kardemom, geitenkaas, bramen of rundvlees?’
‘Heb je niet gewoon koffie?’
‘Nee, dit zijn onze smaakjes. Welke mag ik u brengen?’
‘Heb je dan misschien thee?’
‘Jazeker. Dan hebben we de smaakjes ginseng, bloedworst, zeezout en natte hond.’
‘Niet gewoon thee? Doe me dan maar een glas water.’
‘Met bubbels?’

Kraak

Gek is dat met chips. Als ik er vijf eet, kan ik niet stoppen en moet de zak leeg. Daarna is het schransen over. Nee, ik speur niet in alle kasten naar vergeten zakken, ren niet naar de winkel voor meer, spring niet in de auto op zoek naar een benzinestation dat 24 uur open is. Nee, ik stop gewoon met eten, vind het best en ga wat anders doen. Raar dat dat na vijf chipjes niet kan. De kraakbehoefte pas vervuld na een volle zak. Hoeveel chips dat zijn? Ik ga tellen …

Winterdag

Sneeuw knispert onder mijn voeten. Pas na pas hoor ik de zolen van mijn schoenen neerkomen en wegzakken. Hoor hoe mijn broek ruist langs mijn knieën, langs mijn dijen. Mijn jas maakt een geluid alsof iemand met grote, regelmatige bewegingen zijn stoep schoonveegt. Zo nu en dan haal ik mijn neus op. Wat een herrie maak ik in mijn eentje, denk ik, en verras mezelf door stil te blijven staan. Mijn geluiden lijken door te wandelen en langzaam te vervagen. Even lijkt het stil. Dan hoor ik in mijn hoofd gedachten kletsen over doorlopen, over kou, over een warme kachel, tot ik ook die laat gaan. Dan is er niets. Of toch. Een kraai die krast. Een zuchtje wind dat in mijn oren fluistert en na verloop van tijd verandert in zacht gezongen koormuziek.

Dwarrel

De late koffie houdt me wakker. Of slaap ik toch? Van een afstand zie ik hoe druk mijn hoofd het heeft. Een stuiterbal in een kamer vol rennende kinderen. Een oude radio waarmee iemand een zender zoekt en in het zoeken de halve wereld moet passeren. Flarden muziek, halve zinnen, vreemde klanken, ruis, morse-tekens. Een gedachte kijkt op, zegt zijn naam en duikt weer onder. Een zin uit een gesprek eerder vandaag, de oude tekst gesproken door een nieuwe stem. De koele hand van iemand die net binnenkomt. Een bal ontploft en de katten die eruit tevoorschijn springen, jaag ik naar buiten. Dan onderweg, de sneeuw die op mij loert en elke vlok diep in mijn ogen stuurt. Een uil dwarrelt voorbij, de autolampen schijnen wit onder zijn vleugels.

Woord

De wekker gaat. Ik zet hem uit en zwaai mijn benen buiten het bed. Een snelle douche, dan het gisteravond laat al klaargezette ontbijt. Het smaakt me niet. Ook de ochtendkoffie is bitter en wrang. Bozig ben ik, sacherijnig. Een reden weet ik niet. De stoel in de auto voelt klam en koud. Mopperend rij ik de oprit af. Dit wordt zo niks, denk ik bij mezelf en besluit dit grauw bestaan wat vrolijker te maken. Zeg hardop dat het in de auto lekker fris is, tintelfris en voel een voorzichtig lachje om mijn mond als ik merk hoe een simpel woord de wereld anders maken kan.

Afslag

Ik laat het gas los en aarzel. Rij ik door zoals zo vaak? In een opwelling stuur ik naar rechts. Vandaag sla ik af. De vertrouwde naamplaats uit mijn jeugd. Het hoekje waar een vriendje woonde, het was best ver fietsen als ik op zaterdag bij hem ging spelen. De weg naar een plukje boerderijen waar ik op een geleende brommer naartoe scheurde toen ik in die buurt verkering had. Hee, een nieuw fietspad. En dat transformatorhuisje staat er nog altijd. Links het bos met de vijver en de ijsbaan, rechts het kerkhof. Het witte hekje piept nog steeds. Het ruikt er naar paddenstoelen en rottend blad. Dan tussen de zerken de bekende steen die zwaarder lijkt dan dan ik mij herinner en ietwat achterover leunt. Even sta ik stil en inspecteer het tuintje op het graf. Ach, wat maakt het ook uit hoe het erbij ligt. Laat maar groeien die planten en dat boompje. Een windvlaag. Om me heen ploppen een paar eikels neer. Ik draai me om en loop hetzelfde pad terug. Een man in de verte steekt zijn hand op.

Kijkt

Weilanden. Verder weg een meertje. Dan een dorp waar ik tien jaar terug een huis zocht. De klinkerweg ziet er bekend uit, net als de patattent, de haven met de platbodem vol lampjes en het niet-gekochte huis. Achter het raam van de voorkamer staat een kleine tafel met een Perzisch tapijtje erop. Op de tafel een laptop en voor de laptop een man. Hij kijkt van het scherm naar buiten en dan weer terug naar het scherm. Steunt zijn hoofd met zijn linkerhand. Kijkt naar buiten. Kijkt naar het scherm en dan minutenlang schuin omhoog naar de regenlucht. Vanuit mijn geparkeerde auto zie ik het aan en denk dat ik gelukkig ben ontsnapt.

Zweem

Ineens is wat ik dacht verdwenen. Dat ik iets dacht, is zeker. En ik voel dat die gedachte van het allergrootst belang geweest zou zijn, dat die de wereld had veranderd. Maar ik schrok wakker uit mijn droom en zag de waarheid die ik vond op slag verdwijnen. Ik denk achteruit om terug te gaan naar waar ik was, maar nu mijn hersens wakker zijn, lost de binnenwereld langzaam op. Zelfs het gevoel dat ik iets verloren ben, dwaalt weg in een straaltje zon dat speels door de gordijnen kiert.

Slang

In de beek drijft een stok, groen, veralgd en misschien een meter lang. Hij schiet voorbij op de stroom als een slang die ik laatst zag in een film over de Amazone. Het beest kronkelde loom op weg naar zee, naar zwoele palmenstranden. Een groep ganzen vliegt laag over en hun gakken brengt me terug naar hier, naar lopen langs een koele beek, omringd door akkers vol met plassen en een lange rij bladloze bomen. Hier zijn geen slangen. Het is niet warm. Nee, als ik eerlijk ben, is het hier koud. Het water morgen zeker dichtgevroren, de stok gevangen in het ijs.

Pas

Thee, denk ik en sta op van achter mijn bureau. Vanuit mijn ooghoeken kijk ik naar buiten en zie een blauwe reiger die naar binnen staat te gluren. Ik bevries mijn pas. De reiger staat doodstil, alleen het gras rond zijn poten beweegt in de wind. Achter de reiger is de akker grijs van ganzen die stilletjes het groen verorberen. Vanuit de ochtendmist duikt een ruiter op. Hij galoppeert langs de beek en komt snel dichterbij. De reiger draait zijn kop naar het geluid en vliegt op. Direct dwarrelen grote zwermen ganzen omhoog. Ook ik kom weer in beweging en zet een pas richting keuken.

A28

Het is laat. Het ritme van de witte strepen maakt me suf en doezelig. Een snelle blik in de achteruitkijkspiegel duurt langer dan ik durf. Dus ik hou mijn stuur recht, de voet stijf op het gaspedaal en mijn ogen strak vooruit. Raam open. Koude wind en herrie. Raam weer dicht. Radio? ‘… dat heb ik dit voorjaar ook gezegd in het kader van …’ zegt een trage mannenstem. Uit. In een reflex lukt alles nog. Niet denken. Ik zie een P, sla af, ren vijf rondjes rond de auto. Het miezert.

Weten

Ik wring me in mijn schoenen. Hond kijkt op. Hij kwispelt. Wat heerlijk niet te weten wat er straks gebeuren gaat, denk ik. Niet weten van die klus die vanavond af moet zijn, niet van de auto die een beurt moet hebben, niet van de pc die hapert, niks van morgen, niets van welke dag erna dan ook. Alleen vandaag dat telt, alleen het nu. Ik schuif de tuindeur open en laat me vallen in een luie stoel. Mijn wangen warmen in de najaarszon. Hond ligt in het gras en knaagt aan een teruggevonden botje. De wind speelt met zijn haar.

Taxi

Een vlieg zeurt rond mijn hoofd. Ik haal uit, maar hou mijn ogen op de weg want hoorde op het nieuws over een bus die van een brug afreed toen de chauffeur terugsloeg naar een boze passagier. De vlieg ontwijkt mijn hand met speels gemak en zet zich op het warme scherm van de tomtom, vliegt weer op en landt dan midden op mijn kale hoofd. Weer mijn hand en weer ontsnapt de vlieg. Als ik straks stop – ik ben op weg naar Amsterdam – jaag ik hem de auto uit. Dat zal hem leren, want dan moet hij vliegend terug naar huis. Hoe lang zo’n dier daar over doet? Een week of misschien twee? Als ik de parkeergarage inrij, zit de vlieg op het raam van het portier. Ik open de deur en hij stuift gedecideerd de auto uit. Alsof hìj op weg was hier naartoe.

Stil

Vandaag blijft het stil. Er was een krekel bij ons ingetrokken. Verstopt onder het aanrecht, achter de planken, ver weg in een hoekje dat met zaklamp en stofzuiger niet is te bereiken. Elke avond om half tien stipt begon hij zijn gezang en hij ging door tot ver na middernacht. Een krekel tijdens Nieuwsuur, een krekel die Pauw voortdurend in de rede valt, een krekel als ik naar bed ga, een krekel vlak voordat ik eindelijk in slaap val. Vandaag blijft het stil. En hoewel ik iedereen en alles een lang leven gun, is deze rust toch ook wel fijn. De tv laat ik uit. De schuifdeur naar de tuin staat op een kier. Er blaast een frisse wind naar binnen.