Vier

Ik tel de treden van de trap in blokjes van vier en altijd komt het uit. De hoogste trede op de vierde tel van het vierde blokje. Ergens diep van binnen ben ik verbaasd dat het altijd klopt, alsof zo nu en dan niet ook een trap een trede korter zijn kan of een treetje langer voor een keer. Het is een vaag gevoel van twijfel, een onduidelijk, op de rand van mijn bewustzijn wonend wantrouwen aan alles wat ik voor waar aanneem, waarvan ik als het erop aankomt toch niet helemaal zeker ben. Diep, diep van binnen hou ik er rekening mee dat ooit een keer de dingen die we zeker weten toch iets anders doen, dat dan de trap dertien treden heeft of negentien. Hoewel ik zeker weet dat als het mocht gebeuren, ik het weg zal wuiven als een vergissing mijnerzijds en terwijl ik m’n schouders ophaal tegen mezelf zal zeggen dat ik vast en zeker slordig heb geteld.

Speeltijd

‘Ik praat niet meer tegen je, want je kan niet luisteren.’
De vader klinkt streng. Zijn jonge dochter kijkt verbolgen naar hem op.
‘Ik kan wel luisteren!’
‘Net toen ik wat zei, luisterde je niet en daarvoor ook niet en dáárvoor ook niet.’
‘Maar toen was het speeltijd.’
‘Dat kan wel, maar ik ga toch niks zeggen want je ogen staan alweer op spelen en niet op luisteren.’
Drie keer huppelde ze langs in haar groene prinsessenjurk. Dansende krullen. Zwarte lakschoentjes tiptappend op de vloer van de trein en een vrolijk ‘Zeg Roodkapje, waar ga je henen.’
‘Denk je dat dat lukt, luisteren? Ga eerst maar eens netjes zitten.’

Polen

De trein rijdt achteruit. Ik zit op een bankje en verplaats me volgens de reis-app met 137 kilometer per uur van Rotterdam naar Zwolle. Ik rij achteruit. Met mijn rug naar voren. Mijn achterkant naar wat er komen gaat, mijn blik op wat voorbij is. Tuur uit het raam de avond in. Geen licht, geen maan, geen sterren. Het gevoel dat ik voortbewogen word, lost langzaam op. Ik rij. Dat weet ik zeker. De wind ruist langs het raam, de wielen ratelen soms over een wissel en zo nu en dan deint de wagon als het spoor een kuil bevat. Het voelt alsof de trein de verkeerde kant op rijdt, of ik naar het westen ga, terwijl de speaker herhaaldelijk bevestigt dat ik in de juiste trein zit en die nog steeds naar Zwolle gaat. We rijden naar de verkeerde kant over de IJsselbrug en dan achterstevoren het station in. Ik stap uit en loop de welbekende trappen af naar de fel verlichte tunnel onder de sporen. Als altijd ga ik naar links en zie toegangspoortjes die er nog nooit waren. Kijk om. En loop verrast de andere kant op. De goede. Schud mijn hoofd. Omgepoold.

Waar

Ja, het is waar, want ik geloof het. Ik vind dat het zo is. Dan is het toch ook zo. Dan is het toch niet anders? Daar heb ik echt geen moeite mee, met de waarheid. En als jij het eventjes niet weet, dan help ik je, dan zeg ik je wel wat waar is. En als jij dat dan ook vindt, dan is het extra waar, dan wordt onze waarheid sterker. Want dat wat waar is, wil worden geloofd. Dat verdient het. Dat alle mensen haar omarmen. Nee, niet de vraagterroristen en andere dwarsliggers. Zo mag ik ze toch wel noemen, die lui die de waarheid steeds opnieuw bevragen. Hou daar toch mee op, neem toch eens aan dat wat waar is ook echt waar is, simpelweg de waarheid is. Dus ik blijf het zeggen! Want de waarheid groeit als ik haar herhaal en met jullie hulp wordt ze nog veel groter. Daarom zeg ik het opnieuw. Voor iedereen die zoekt, die een heldere waarheid wil omarmen, bied ik een stem die steeds hetzelfde zegt, die sterk is, geloofwaardig. Die de waarheid spreekt.

Val

In een rattenval van het waterschap fladdert een waterhoentje, ik aarzel niet en laat het beestje vrij. Twee vallen verderop rent een rat zenuwachtig heen en weer achter het gaas en sist venijnig naar me als ik dichterbij kom. Even aarzel ik. Is een rattenleven meer of minder waard dan dat van een waterhoen? Ik laat hem zitten en loop door langs weilanden met schapen, koeien, paarden achter gaas en draad. Het lijkt ze niet te deren dat ze opgesloten zijn, ze vreten vredig van hun gras. De hond in een kennel, die ligt te kluiven op een bot, loop ik ook voorbij en ik zwaai zo nu en dan naar mensen in hun tuin. Vraag me af welke hekken wij niet zien zolang we nog te eten hebben.

Evenwicht

Vroeg nog en half donker. Fris ook als ik uit mijn warme bed stap. Terwijl ik wat kleren aanschiet, kijk ik naar buiten. Een zilverreiger zit naast een grote plas op de akker achter het huis. Even draait hij zijn kop als ik naar evenwicht zoek terwijl ik staand probeer mijn sokken aan te trekken en staart daarna weer voor zich uit. Als ik de woonkamer inloop en in een reflex het licht boven de tafel aandoe, kijkt hij opnieuw mijn kant op, vliegt op om vijftig meter verder weer te landen. Hij staat stil. Zakt wat in elkaar, staart voor zich uit terwijl ik ontbijt maak en op mijn mobiel de ochtendkrant uitlees.

Moet

Ze zeggen dat het nodig is. En, ja, het zou best zo kunnen zijn dat het echt moet, maar je weet het nooit helemaal zeker, hè. Dus het lijkt me dat ik nog even wacht. Even uitstellen kan vast geen kwaad. Ik hoef toch niet een van de eersten te zijn? Want waarom zou ik een van de eersten zijn? Dat is niks voor mij, de eerste zijn. Daar hou ik niet zo van. En je kan toch veel beter kijken wat de anderen doen en je daar dan bij aansluiten. Dan weet je zeker dat je goed zit. Ach, eerlijk gezegd, zo’n vaart zal het toch niet lopen. Ik merk er nog niks van. Dus misschien valt het allemaal wel mee. Ja, het valt allemaal vast wel mee. Ik ben van goede wil hoor, als het er toch op aan zou komen, echt. En ik draag het idee zeker een heel warm hart toe. Maar ik wacht nog heel even tot het allemaal wat duidelijker is. Dan doe ik mee. Echt waar. Dat beloof ik.

Tachtig

Teller op tachtig. Voor me op de autoruit een mier met vleugels. De poten wijd gespreid, de vleugels op het raam gedrukt en ook de weke buik wordt hard tegen het koude autoraam geperst. In een reflex laat ik het gaspedaal los en kijk of het de mier nu beter gaat. Zestig. Vijftig. De poten strekken zich. De vleugels komen langzaam los van het raam en wapperen in de rijwind, rukken aan de pezen en de spieren en knakken -denk ik- haast de mierenrug.
De auto achter me knippert met z’n koplampen dat ik op moet schieten, maar ik laat de wagen rustig verder rollen. Was het beest op weg naar een bloem, naar een vijandig nest, naar een geliefde, naar huis met eten voor een barre winter? Ik besef dat ik een leven heb verstoord, simpel door me te verplaatsen. In een opwelling trap ik op de rem en zet de auto langs de weg. De mier op het raam strekt zich, richt zich op. Hoofdschuddend wandelt het insect het raam af naar beneden.

Pirouette

Een glinstering. Op het wandelpad langs de beek slingert een man. De plastic tassen in zijn linker- en rechterhand weerkaatsen de laagstaande zon. Zijn lange haar en baard verwaaien als hij onverwacht om zijn as draait en om zich heen speurt. Hond rept zich naar de grens van ons terrein en steekt zijn staart omhoog. Zijn blaf schalt over de akkers naar de zwerver honderd meter verderop. De man maakt opnieuw een pirouette en drukt zijn handen strak tegen zijn oren. Ik leg mijn mes en vork neer, roep hond naar binnen en denk als ik de deur dicht doe: we hadden hem te eten kunnen vragen. Het is een gure dag. Het weerbericht geeft regen voor vannacht.

Dreun

Of er een zandzak tegen het raam wordt gegooid. De dreun is dof en zwaar. Ik ren naar boven, grijp een zaklantaren mee. Veren op het raam, de afdruk van een kop. Het lamplicht aait over een fazanthen die gestrekt ligt op het balkon. Even trilt een vleugel. Dan is het bewegen over. De volgende ochtend draag ik haar in de richting vanwaar ze kwam. Naar de slootkant waar ze misschien woonde. Laat haar achter in het gele gras. Eten voor de kraaien, voor een vos, voor een ander dier dat honger heeft. En wie weet, een kans op afscheid voor de fazanthaan die ik ’s avonds hoorde roepen.

Neus

Dat er bovenop je neus ineens een haartje groeit dat zich eerst nog gewillig laat verwijderen, maar als de tijd verstrijkt wat harder wordt, steviger en hinderlijk opvalt als je met je vingertop over je neus schuift zodat je dat haartje vervolgens met de pincet van een zwitsers zakmes uitrukt om daarna te ontdekken dat je huid er niet echt tegen kan en ontsteekt, zodat je later steeds wanhopiger moet kiezen tussen een rode neus of een haartje dat er eigenlijk niet hoort en onvermijdelijk aangeeft dat je leeftijd vordert. Ik laat de haar met rust, maar moet steeds opnieuw de impuls tot uitrukken beheersen, elke keer als ik – en ik doe het vaak merk ik – min of meer per ongeluk met een vinger over mijn neus strijk.

Vol

Eén vlieg zwerft nog door het huis. Misschien is het de laatste op de wereld, denk ik soms. Hij is al weken hier en lijkt hier ook te wonen. Als ik mijn ontbijt maak, komt hij kijken en probeert om mee te proeven. Ik jaag hem weg. Geen vliegenspeeksel in mijn ochtenpap. Als ik uitgegeten ben, laat ik de kom nog even op tafel staan terwijl ik op mijn mobiel de krant uitlees. Brommend komt dan ook de vlieg naar tafel, doet zich tegoed aan wat ik aan restjes overlaat. Als later de krant gelezen is, spoel ik het vaatje af. Met de vlieg gezellig zoemend rond mijn hoofd.

Radio

Onlangs mocht ik een uur lang praten over mijn boek Valwind in het radioprogramma Boeken met Michel. Ik lees een aantal verhalen voor én je hoort mijn muziekkeuze. Alle nummers duren ongeveer één minuut. Dus die passen -volgens mij- perfect bij mijn verhalen die ook maar één minuut lang zijn. Veel plezier!
https://peterveen.nl/BoekenMMPeterVeen.mp3

Dief

Niks vind ik ervan. Niks. Niet goed, niet slecht, niet neutraal, gewoon niks. Want hoe kun je wijs uit alles wat er speelt, alle elementen wegen, alle krachten duiden en dan zeker weten hoe iets is. Dat gaat niet. Dat lukt je niet. Dus je kletst maar wat. Je zwetst maar wat. Je ratelt, raaskalt, tiert. Maar je weet niks. Niks weet je. Je zegt dat je iets vindt, dat je iets zeker weet. Net als ik soms doe als ik echt iets vinden moet. Maar ik weet niet wat ik vind. Hooguit praat ik iemand na die me aardig lijkt en voor dat moment wel te vertrouwen. Ik kijk gedecideerd, zet mijn sterkste stem op, recht mijn schouders en herhaal dan wat ik hoorde. Soms geloof ik wat ik zeg en denk dan, deze mening past me wel, ja, laat ik dit maar doen, hier kom ik wel mee weg. Voor even doe ik mee, maar ik weet mezelf een dief die pronkt met wat hij heeft gestolen. Ik weet wel beter. Net als jij, want je weet het niet, je weet het net zo min als ik.

Mep

Wolven! Mijn reisgenoten stuiven weg. Ik zie ze verdwijnen in de aarde, oplossen in de lucht. Verstijfd sta ik middenop de uitgestrekte heide en zie wat verder op het pad drie wolven liggen. Rennen, denk ik, maar mijn benen blijven staan. De grootste wolf springt op en komt stap voor stap mijn kant op. Ik zoek iets om me te verdedigen, kijk om me heen, grijp een klerenhanger uit de kast, mep hem keihard op zijn neus en schrik wakker. Ga plassen. Schuif het warme bed weer in. Wil die gekke denksprong van de heide naar een kast onthouden en droom daardoor steeds opnieuw de wolven-droom. Steeds weer schrik ik wakker als ik sla. Hangend buiten bed krabbel ik wat woorden in een opschrijfboek dat open ligt te wachten. Slaap dan droomloos verder tot haar wekker gaat.