Evenwicht

Vroeg nog en half donker. Fris ook als ik uit mijn warme bed stap. Terwijl ik wat kleren aanschiet, kijk ik naar buiten. Een zilverreiger zit naast een grote plas op de akker achter het huis. Even draait hij zijn kop als ik naar evenwicht zoek terwijl ik staand probeer mijn sokken aan te trekken en staart daarna weer voor zich uit. Als ik de woonkamer inloop en in een reflex het licht boven de tafel aandoe, kijkt hij opnieuw mijn kant op, vliegt op om vijftig meter verder weer te landen. Hij staat stil. Zakt wat in elkaar, staart voor zich uit terwijl ik ontbijt maak en op mijn mobiel de ochtendkrant uitlees.

Moet

Ze zeggen dat het nodig is. En, ja, het zou best zo kunnen zijn dat het echt moet, maar je weet het nooit helemaal zeker, hè. Dus het lijkt me dat ik nog even wacht. Even uitstellen kan vast geen kwaad. Ik hoef toch niet een van de eersten te zijn? Want waarom zou ik een van de eersten zijn? Dat is niks voor mij, de eerste zijn. Daar hou ik niet zo van. En je kan toch veel beter kijken wat de anderen doen en je daar dan bij aansluiten. Dan weet je zeker dat je goed zit. Ach, eerlijk gezegd, zo’n vaart zal het toch niet lopen. Ik merk er nog niks van. Dus misschien valt het allemaal wel mee. Ja, het valt allemaal vast wel mee. Ik ben van goede wil hoor, als het er toch op aan zou komen, echt. En ik draag het idee zeker een heel warm hart toe. Maar ik wacht nog heel even tot het allemaal wat duidelijker is. Dan doe ik mee. Echt waar. Dat beloof ik.

Tachtig

Teller op tachtig. Voor me op de autoruit een mier met vleugels. De poten wijd gespreid, de vleugels op het raam gedrukt en ook de weke buik wordt hard tegen het koude autoraam geperst. In een reflex laat ik het gaspedaal los en kijk of het de mier nu beter gaat. Zestig. Vijftig. De poten strekken zich. De vleugels komen langzaam los van het raam en wapperen in de rijwind, rukken aan de pezen en de spieren en knakken -denk ik- haast de mierenrug.
De auto achter me knippert met z’n koplampen dat ik op moet schieten, maar ik laat de wagen rustig verder rollen. Was het beest op weg naar een bloem, naar een vijandig nest, naar een geliefde, naar huis met eten voor een barre winter? Ik besef dat ik een leven heb verstoord, simpel door me te verplaatsen. In een opwelling trap ik op de rem en zet de auto langs de weg. De mier op het raam strekt zich, richt zich op. Hoofdschuddend wandelt het insect het raam af naar beneden.

Pirouette

Een glinstering. Op het wandelpad langs de beek slingert een man. De plastic tassen in zijn linker- en rechterhand weerkaatsen de laagstaande zon. Zijn lange haar en baard verwaaien als hij onverwacht om zijn as draait en om zich heen speurt. Hond rept zich naar de grens van ons terrein en steekt zijn staart omhoog. Zijn blaf schalt over de akkers naar de zwerver honderd meter verderop. De man maakt opnieuw een pirouette en drukt zijn handen strak tegen zijn oren. Ik leg mijn mes en vork neer, roep hond naar binnen en denk als ik de deur dicht doe: we hadden hem te eten kunnen vragen. Het is een gure dag. Het weerbericht geeft regen voor vannacht.

Dreun

Of er een zandzak tegen het raam wordt gegooid. De dreun is dof en zwaar. Ik ren naar boven, grijp een zaklantaren mee. Veren op het raam, de afdruk van een kop. Het lamplicht aait over een fazanthen die gestrekt ligt op het balkon. Even trilt een vleugel. Dan is het bewegen over. De volgende ochtend draag ik haar in de richting vanwaar ze kwam. Naar de slootkant waar ze misschien woonde. Laat haar achter in het gele gras. Eten voor de kraaien, voor een vos, voor een ander dier dat honger heeft. En wie weet, een kans op afscheid voor de fazanthaan die ik ’s avonds hoorde roepen.

Neus

Dat er bovenop je neus ineens een haartje groeit dat zich eerst nog gewillig laat verwijderen, maar als de tijd verstrijkt wat harder wordt, steviger en hinderlijk opvalt als je met je vingertop over je neus schuift zodat je dat haartje vervolgens met de pincet van een zwitsers zakmes uitrukt om daarna te ontdekken dat je huid er niet echt tegen kan en ontsteekt, zodat je later steeds wanhopiger moet kiezen tussen een rode neus of een haartje dat er eigenlijk niet hoort en onvermijdelijk aangeeft dat je leeftijd vordert. Ik laat de haar met rust, maar moet steeds opnieuw de impuls tot uitrukken beheersen, elke keer als ik – en ik doe het vaak merk ik – min of meer per ongeluk met een vinger over mijn neus strijk.

Vol

Eén vlieg zwerft nog door het huis. Misschien is het de laatste op de wereld, denk ik soms. Hij is al weken hier en lijkt hier ook te wonen. Als ik mijn ontbijt maak, komt hij kijken en probeert om mee te proeven. Ik jaag hem weg. Geen vliegenspeeksel in mijn ochtenpap. Als ik uitgegeten ben, laat ik de kom nog even op tafel staan terwijl ik op mijn mobiel de krant uitlees. Brommend komt dan ook de vlieg naar tafel, doet zich tegoed aan wat ik aan restjes overlaat. Als later de krant gelezen is, spoel ik het vaatje af. Met de vlieg gezellig zoemend rond mijn hoofd.

Radio

Onlangs mocht ik een uur lang praten over mijn boek Valwind in het radioprogramma Boeken met Michel. Ik lees een aantal verhalen voor én je hoort mijn muziekkeuze. Alle nummers duren ongeveer één minuut. Dus die passen -volgens mij- perfect bij mijn verhalen die ook maar één minuut lang zijn. Veel plezier!
https://peterveen.nl/BoekenMMPeterVeen.mp3

Dief

Niks vind ik ervan. Niks. Niet goed, niet slecht, niet neutraal, gewoon niks. Want hoe kun je wijs uit alles wat er speelt, alle elementen wegen, alle krachten duiden en dan zeker weten hoe iets is. Dat gaat niet. Dat lukt je niet. Dus je kletst maar wat. Je zwetst maar wat. Je ratelt, raaskalt, tiert. Maar je weet niks. Niks weet je. Je zegt dat je iets vindt, dat je iets zeker weet. Net als ik soms doe als ik echt iets vinden moet. Maar ik weet niet wat ik vind. Hooguit praat ik iemand na die me aardig lijkt en voor dat moment wel te vertrouwen. Ik kijk gedecideerd, zet mijn sterkste stem op, recht mijn schouders en herhaal dan wat ik hoorde. Soms geloof ik wat ik zeg en denk dan, deze mening past me wel, ja, laat ik dit maar doen, hier kom ik wel mee weg. Voor even doe ik mee, maar ik weet mezelf een dief die pronkt met wat hij heeft gestolen. Ik weet wel beter. Net als jij, want je weet het niet, je weet het net zo min als ik.

Mep

Wolven! Mijn reisgenoten stuiven weg. Ik zie ze verdwijnen in de aarde, oplossen in de lucht. Verstijfd sta ik middenop de uitgestrekte heide en zie wat verder op het pad drie wolven liggen. Rennen, denk ik, maar mijn benen blijven staan. De grootste wolf springt op en komt stap voor stap mijn kant op. Ik zoek iets om me te verdedigen, kijk om me heen, grijp een klerenhanger uit de kast, mep hem keihard op zijn neus en schrik wakker. Ga plassen. Schuif het warme bed weer in. Wil die gekke denksprong van de heide naar een kast onthouden en droom daardoor steeds opnieuw de wolven-droom. Steeds weer schrik ik wakker als ik sla. Hangend buiten bed krabbel ik wat woorden in een opschrijfboek dat open ligt te wachten. Slaap dan droomloos verder tot haar wekker gaat.

Schater

Ik mopper de supermarkt uit. Het is guur. De zomer al voorbij, maar ik wil vrij zijn, lekker niks en warm genieten. Chagrijnig steek ik de weg over en spring geïrriteerd opzij als er een fietsbel klinkt. Ze lacht. Beide handen aan het stuur. In haar rechterhand klemt ze ook het puntje van een lange groene rok. Ik kijk haar na. De wind speelt met haar rok en dwarrelt om haar benen, duwt de stof omhoog, omlaag, verpakt een been en laat het dan weer vrij. De rok bolt op. Ze laat het gaan, kijkt omlaag naar beide blote benen. Schaterlacht.

Kodda

‘Hun vakantie is voorbij,’ zegt de boer. Hij maakt flinke hopen voer van hooi en biks op een omheinde voederplaats. ‘Het zijn de laatste acht, de andere zestig staan al binnen. Het gras raakt hier op. Dus het is tijd om ze weg te halen.’ Hij loopt het veld in met een emmer brokjes en rammelt ermee terwijl hij verleidelijk roept: ‘kom dan, kom dan, komda, kodda, kodda-kodda-kodda.’ Maar rond de hekken wachten wandelaars. En op de palen die de hekken stutten, zitten kinderen met bungelende benen. De koeien blijven angstvallig uit de buurt.

Ik zou ook niet komen. Het gebied zelf is rustig en stil, gedekte tinten, zachte kleuren bruin en groen. De herrie komt van mensen. Van snelle bewegingen. Van woest gele jasjes, fel oranje t-shirts, helderrode broeken, kobaltblauwe truien, oogverblindend groene mutsen, schreeuwend paarse schoenen. Een glimmende camera die het zonlicht reflecteert, wijst als een geweer naar de koeien. De zuidwestenwind draagt de geur van deo, parfum, eu de cologne door het veld. En verderweg schreeuwen de voetballers in het dorp ‘voorzet, voorzet.’

Later als ik vlakbij mijn auto ben, rijdt de boer langs in zijn 4-wheeldrive. Hij zwaait. Ik kijk om. De koeien staan nog steeds in het veld.

Kabou

Het aardappelloof is bruin en dood. Een dorre vlakte die binnenkort gerooid wordt. Middenin de akker, vlak bij elkaar, staan twee jagers. Nee. Middenin de akker, vlak bij elkaar, staan twee zonnenbloemen. Nee. Middenin de akker, vlak bij elkaar, staan twee verdwaalde maisstengels. Nee. Middenin de akker, vlak bij elkaar, staan twee kabouters. Ik pak een verrekijker. Ze zijn plantaardig, lijkt me, en trillen in de wind. Ze lijken te praten. Te wijzen. Naar mij te wijzen. Ze tikken met hun wijsvinger tegen hun voorhoofd. Vast en zeker zijn het twee kabouters.

Vijf

‘De zee, opa, ik hoor de zee,’ zegt Teun als de wind hoog boven hem aanzwelt in de toppen van de bomen. Ik zeg niks. Het is een mededeling, niet de start van een gesprek, geen educatie, maar beleving. Vast en zeker was hier ooit een zee en wie weet, kan een kind van vijf zo’n zee van toen wel horen. De wereld is onvast en zoveel is er dat ik niet weet en niet kan weten.
‘Hou jij ook van zee?’ vraagt Teun. Ik hoor de golven breken en knik. 

Ten

Het is onacceptabel. Ik veroordeel het ten sterkste. Dit kan niet. Dit moet niet. Dit gaat tegen alles in wat wij belangrijk vinden. Het moet stoppen. Het moet nu stoppen. Sterker dan dit kan ik het niet zeggen. Ik veroordeel het ten sterkste. Ik herhaal het graag. Ik veroordeel het ten sterkste. Ik herhaal het graag. Ik veroordeel het ten sterkste. Ik herhaal het graag. Ik veroordeel het ten sterkste. Ik herhaal het graag. Ik veroordeel het ten sterkste. Sterkere taal heb ik niet. Ik veroordeel het ten sterkste. Wij veroordelen het ten sterkste. Het moet stoppen. Het kan niet. Het mag niet. We willen dit niet. Ja, ik herhaal het graag nog een keer zodat iedereen het weet. We. Veroordelen. Het. Ten. Sterkste.