Zonde

‘Dit beest was bang,’ zeg ik terwijl ik van het vlees proef. ‘Het smaakt naar angst met een flinke scheut paniek en een zweem verbijstering. Ik proef ontheemd zijn en de kudde missen. Ja, dit vlees was bang. Heel erg bang.’
Mijn gastheer kijkt verbaasd en neemt een hapje van mijn bord.
‘Het smaakt precies als anders,’ zegt hij. ‘Eet er maar omheen. Of eet het op. Het is al betaald, het beest is al geslacht, zonde om het weg te gooien.’ Hij spoelt zijn woorden weg met witte wijn. Ik neem een slokje van mijn thee van vers geplukte munt. En vraag me af of het plantje ernstig heeft geleden.

(Ook opgenomen in Valwind)

Ree

Verlicht door de zon zie ik honderd meter verderop een ree tussen de bosjes staan. Tien meter ernaast staat nog een ree en even verder weer een. Ze kijken mijn kant op. Onbeweeglijk kijken ze mijn kant op. Stokstijf staan ze naar me te kijken of op z’n minst in deze richting, naar mij of naar het huis, de ondergaande zon. Minutenlang kijk ik terug. Op tafel staat een kijker, ik zou hem kunnen pakken om ze van dichtbij te te zien, maar ik doe het niet. Het reflecterend glas zou ze kunnen laten schrikken. Of wellicht zie ik dan bevestigd wat ik eigenlijk al weet. Dat het geen reeën zijn. Dat de avondzon wat onbegroeide stukjes boomstam bruinig-geel verlicht en de rest gedaan wordt door mijn wens een ree te zien. Onbeweeglijk in het laatste licht van de ondergaande zon.

Front

De koeien staan achterin de wei te dromen. Schrikken wakker als ze mij zien komen. Ik loop langs de beek over een schouwpad van het waterschap. Links de weide, rechts het water. Een koe zet een stap mijn kant op en langzaam komt de groep in beweging. Groeit uit tot een front van spieren en vlees, een grote groep zwijgende koppen met ogen die staren en zich niet laten lezen. Ze stappen gewillig opzij als de stier komt kijken. Hij stopt drie meter bij me vandaan. Schudt zijn kop. Snuift. Gromt. Kromt zijn rug. Spuit een flinke straal mest naar de grond. Krabt met zijn rechtervoorpoot diep in het gras. Ik sta stil. Het prikkeldraad lijkt kwetsbaar en dun.

Audiokunstwerk op Schokland

Dit is de kerk van Museum Schokland. Vanaf volgende week zondag hoor je daar mijn voor deze plek gemaakte audiokunstwerk. Tegelijkertijd exposeert Saskia Boelsums in de naastgelegen pastorie ruim veertig van haar landschapsfoto’s. En dan kun je op het voormalige eiland ook nog een zes kilometer lange internationale kunst- en poëzieroute lopen of fietsen.

Beide exposities en de kunstroute zijn te zien van 23 juni tot en met 22 september.

Zweem

Ineens is wat ik dacht verdwenen. Dat ik iets dacht, is zeker. En ik voel dat die gedachte van het allergrootst belang geweest zou zijn, dat die de wereld had veranderd. Maar ik schrok wakker uit mijn droom en zag de waarheid die ik vond op slag verdwijnen. Ik denk achteruit om terug te gaan naar waar ik was, maar nu mijn hersens wakker zijn, lost de binnenwereld langzaam op. Zelfs het gevoel dat ik iets verloren ben, dwaalt weg in een straaltje zon dat speels door de gordijnen kiert

(Uit Valwind)

Oranje

Vroeg van huis om ruim op tijd te zijn voor de trein. Stoplicht op rood. De brug draait open en ik wacht, blij dat ik zoveel marge heb. Half verscholen in een kast drukt de ietwat gezette brugwachter op de knoppen. Zijn fiets geparkeerd tegen het vaste deel van de leuning. De trein nog net gehaald en terwijl het landschap voorbijglijdt, bedenk dat ik net ik zo goed veel later van huis had kunnen gaan. De brug was alweer dicht geweest, probleemloos was ik doorgereden, zou niet geweten hebben dat de brug gedraaid had. Misschien niet eens een brug gezien. Terloops de stevig gebouwde fietser voorbijgereden. Een verrassende verschijning in zijn oranje werkjas tussen de voetballertjes op weg naar hun wekelijkse wedstrijd.

Op de grens

Met mijn ogen dicht hoor ik de wind van vleugels. Een engel vliegt voorbij, keert en landt over de sloot in een graslandje met paardenbloemen. Als ik mijn ogen open, wolkt het pluis hoog op. Een vlinder vecht zich vrij, fladdert zoekend rond, ontwijkt een mus die opvliegt met een pijpje stro. Zeven spreeuwen stuiven weg als een groepje kraaien overvliegt. Ik sluit opnieuw mijn ogen. Luister. Maar de engel is verdwenen, vervangen door alledaagse dingen zoals de afwas en wat ik straks zal koken.

Streetview

‘Voor wie haar nog een keer wil zien, als je op Google Maps kijkt, zit ze op haar bankje voor het huis,’ zei mijn neef jaren geleden op de begrafenis van zijn moeder. Vandaag zoek ik het adres en kijk. De aanblik van het huis aan de gracht is nog vertrouwd na al die jaren, maar mijn tante en het bankje zijn verdwenen.

Nu ik toch zo bezig ben, tik ik het adres in waar mijn moeder in haar laatste jaren woonde. Het balkon is leeg, de begonia’s in de bloembakken bloeien, de groene tuinstoelen staan uitgeklapt te wachten onder het vogelhuisje waar de mezen wonen. De deuren zijn dicht en het huis ziet er verlaten uit. Ik schuif het beeld naar de parkeerplaats van het bejaardenhuis. Nee, ik was er niet die dag. Ook geen andere bekende auto’s. Ik focus op een ander stukje van het dorp waar ze vijftig jaar gewoond heeft. Een lege straat. Een huis dat lijkt te slapen. De gordijnen zijn vreemd, de wilde tuin getemd met gras en stenen. Het schuurtje met het bijna platte dak waarop ik stiekem speelde, is vervangen door een garage. De vogelkers die mijn vader uit het bos gestolen had, geofferd voor een oprit.

Twee kilometer verder naar het zuiden zoek ik naar het huis waar ik geboren ben. Het is gesloopt en vervangen door een twee-onder-een-kap. Verdwenen is de sombere kamer waar tevergeefs de kachel loeide, weg de gang waar ik de rode step vond toen ik drie werd, omgehakt de coniferen waartegen ik samen met mijn vader stond te pissen omdat er ratten in het poephok woonden. Het boerderijtje van de buren staat er nog, met op de deel – verstopt onder een grijze deken – de lijkwagen van het dorp. Ergens in die ruimte zwerft nog steeds de panter die me schrikken liet maar door verder niemand is gezien.

Ik zit voor mijn pc en inspecteer met Google Maps de plaatsen die ik ken. Soms zie ik iets vertrouwds, maar de mensen die er woonden zijn vertrokken of niet thuis. Ook mijn eigen huis vertoont geen spoor van leven.

(Het langste verhaal uit mijn nieuwe boek Valwind: www.peterveen.nl/valwind)

Speeltijd

‘Ik praat niet meer tegen je, want je kan niet luisteren.’
De vader klinkt streng. Zijn jonge dochter kijkt verbolgen naar hem op.
‘Ik kan wel luisteren!’
‘Net toen ik wat zei, luisterde je niet en daarvoor ook niet en dáárvoor ook niet.’
‘Maar toen was het speeltijd.’
‘Dat kan wel, maar ik ga toch niks zeggen want je ogen staan alweer op spelen en niet op luisteren.’
Zijn toon is rustig en bezwerend. Alles onder controle.
Drie keer huppelde ze langs in haar groene prinsessenjurk. Dansende krullen. Zwarte lakschoentjes tiptappend op de vloer van de trein en een vrolijk ‘Zeg Roodkapje, waar ga je henen.’
‘Denk je dat dat lukt, luisteren? Ga eerst maar eens netjes zitten.’

(Uit mijn nieuwe boek Valwind)

Lang

‘Goedemorgen,’ zegt hij, een lange man op laarzen op het modderige bospad die drie meter achter zijn hond loopt. ‘Goedemorgen,’ zegt zij, een kleine vrouw op laarzen op het modderige bospad die een paar passen achter hem loopt en soms volledig achter hem verdween toen ik ze uit de verte aan zag komen en even niet zeker wist of er een of twee mensen liepen. Het is een lang woord, goedemorgen, onuitspreekbaar lang.
‘Moi,’ groet ik ze terug, maar spreek het langzaam uit zodat het niet kort klinkt. Niet onbeleefd kort klinkt. De honden ruiken aan elkaar. Steken hun staart omhoog.

Uit mijn nieuwe boek Valwind: www.peterveen.nl/valwind

Papier

Papier, waar is een papiertje? Ik zit aan tafel en moet dringend een zin opschrijven, zo-een die uit een droom stamt en die zo weer is vervlogen. Het enige papier dat ik zie, is de rouwkaart van tante Jos die we vorige week hebben begraven. Ik aarzel. Kan je dat maken, is het niet oneerbiedig naar een overledene, een soort van heiligschennis? Maar dat zinnetje moet geschreven, anders vergeet ik het, dus ik vouw de rouwkaart om zodat de overlijdenstekst naar binnen wijst en krabbel wat ik kwijt moet op de blanco achterkant. De kaart slingert dagenlang als notitieblaadje nog op tafel en verhuist dan mee naar mijn bureau, raakt vol met nog meer woorden die onthouden moeten worden, een telefoonnummer om later terug te bellen, een snelle rekensom. Nu net schreef ik op een stukje dat nog leeg was de boodschappen die ik zometeen ga halen. Ik scheur het lijstje los en stop het in mijn broekzak. De uitgescheurde hap maakt ruimte voor de tekst eronder. Omrand door rafeleinden van gescheurd papier lees ik onverwacht de vrijgekomen regels: Huil niet om mij, mijn lijden is ten einde.
Ik pak een kratje voor alles wat ik kopen moet en doe de achterdeur op slot. De auto start gelukkig vlot. Als altijd knippert het rode lampje van de oliedruk.

Niets

‘Zo moet je niet denken.’ Een man met zijn fiets aan de hand leunt over naar een jonge vrouw in een rolstoel, net als ik voorbij loop. Een oudere vrouw staat zwijgend achter haar.
‘Want het gaat niet om wat je niet meer kunt,’ vervolgt-ie zijn betoog, ‘maar om wat je nog wél kunt, om een positieve levensinstelling.’
Ze is even stil.
‘Ja, maar ik kan helemaal niets meer.’
De jonge vrouw kijkt naar hem op. Haar stem is licht geïrriteerd.
‘Zelfs zitten doet me vreselijk pijn. En elke dag wordt het slechter. Ik wil wel van alles, maar ik kan niks. Niks! En dan moet ik positief zijn?!’
Benieuwd naar hun gezichten, kijk ik om. Ze zien me kijken. Het gesprek valt stil. De sfeer is om te snijden.

Kreun

Op de nog kale akker wandelt op zijn gemak een haas. Tien stappen, dan even zitten, oren gespitst. Opnieuw tien stappen, dan weer even zitten. Achter hem draait een trekker het land op. De haas schrikt en rent zigzaggend vooruit. De trekker lijkt hem na te jagen. Een eenzame haas, achtervolgd door een eenzame trekker. Ik sta voor het raam en zie het aan, weet niet of ik lachen zal of huilen. De trekker verdwijnt richting horizon. De haas is niet meer te zien. In de sloot vlakbij kreunt de eerste kikker dat het voorjaar wordt.

Onthouden

Zo’n dag, dat je half hardop bedenkt dat je een moeder had. Hoewel er maar weinig aan haar denken doet. Vreemde theedoeken tussen de stapel die al hoog genoeg was, een stofzuiger die ongebruikt op zolder staat, een Ikeakastje in de badkamer waar we jarenlang ook zonder konden. Uit haar nalatenschap kwamen vooral dingen van mijn vader die jaren eerder al gestorven is. Oude tekeningen, schetsjes, stillevens op spaanplaat, een gouden CNV-speldje voor 50 jaar trouwe dienst en zowaar de oude boekjes van de BB met wenken voor de bescherming van uzelf en uw gezin. Met die boekjes in de hand inspecteerde hij de kelder en wees aan wie in nood op welke plaats moest zitten. Het noodrantsoen met harde biscuits, bloem, suiker, kaarsen en lucifers stond op de bovenste plank in de slaapkamerkast, zelfs als ik op een stoel stond, kon ik er niet bij. De foto die ik van hem maakte op hun 25-jarig huwelijksfeest en die sinds zijn sterven bij haar op de schoorsteen stond, staat nu op de luidspreker vlak naast mijn bureau. Soms valt mijn blik op hem. Niet eerder was hij zo lang zo dichtbij. Zo’n dag. Dat je je afvraagt hoe een mens onthouden wordt en of het wel iets uitmaakt.