Toon

New York, Metropolitan Museum. Een grote zaal met schilderijen en een paar experimentele beelden. Ergens in de ruimte klinkt een schurend geluid. Het jaagt de rillingen langs mijn rug en ik zie kippenvel op mijn armen. Ik blijf staan en luister aandachtig hoe het geluid van toon verandert en de ruimte vult, kijk zoekend rond bij welke beeld het hoort. Of is het geluid een kunstwerk op zich? Interessant! En enthousiast speur ik de ruimte af naar een titelbordje. Maar ik vind niks. ‘Dat geluid, die klanken?’ vraag ik een van de bewakers. Hij zegt iets terug in rap Amerikaans dat ik maar half versta en maakt een armgebaar dat de hele ruimte omvat. Het geluid stopt. Ik geef het op en loop door naar de volgende zaal. Een man in werkkleding komt me tegemoet. Een lange ladder op zijn schouder, een slijptol in zijn rechterhand.

Een sneltrein door de golven

De boot schudt en stampt. Binnen klinkt het of we als een sneltrein door de golven stuiven, het water sist langs de romp en de wind huilt rond de vallen en de mast.
‘Het is veel rustiger dan het nu lijkt,’ lacht de schipper die me wakker maakt, vlak voor mijn hondenwacht begint, ‘dat zie je wel als je zo meteen buiten bent.’

Het is aardedonker, waterdonker, ver weg geeft weerlicht kleur aan de wolken. De boot helt en ik hou me stevig vast, terwijl de slaap uit mijn gedachten waait. Ik voel me als een kind dat per ongeluk de handrem van papa’s auto heeft losgemaakt en nu van een helling naar beneden suist. De wind trekt aan. De zee is ongedurig, net als ik.

Uit Hondenwacht, Even inkijken?

De grote blauwe zee

Ik heb de zee niet aangeraakt in al die weken dat we haar bevaren. Niet gezwommen, niet pootje gebaad, niet overboord gevallen. Soms kwam de zee naar mij. In spetters vanaf de boeg, als regen en via natte vallen en landvasten.

De zee zit in mijn broek die wit is uitgeslagen van het zout, in het zeilpak dat aan alle kanten plakt,
in de makreel die koploos in de pan belandt, op mijn gezicht als ik mijn lippen lik,
in mijn eten dat vanzelf op smaak komt als ik het aanraak met mijn handen.

Maar de zee, de grote zee, de zwarte, blauwe, groene, grijze zee, onaangeraakt, door mij onaangeraakt.

Uit Hondenwacht, Even inkijken?

Eelt en zout

Ze worden anders. Mijn soepele, fragiele tekstschrijvershanden veranderen. Stijf zijn ze als ik opsta. Stokjes. Takjes. Dikker lijken ze dan vroeger, stram en op een rare manier gevoeliger.

Mijn haar voel zachter nu met deze vingers en heeft een nieuwe structuur. Niet meer stug als uitgegroeide schubben, stekels, maar zijdezacht en ongrijpbaar vlassig als van een baby of een oude moeder. Gevoeliger voor de tegendruk van touw en staal. Ongevoeliger voor de zachte huid van hond en vrouw.

Uit Hondenwacht, https://1boek.nl/artikel/9789082821208/hondenwacht

Net op tijd

Mijn linkerhand is bedekt met aarde, een dikke korst zand die vastzit en mijn huid vervangt. Er groeien mossen op en kleine plantjes. Ik kijk ernaar en weet dat ik het nú moet doen! Met mijn rechterhand wrijf ik doelgericht de korst van aarde weg. Het voelt als het zand dat je tussen je tenen blijft plakken als je blootsvoets op het strand gelopen hebt. Ik hoor het ruisen van de korrels die in een wolk van zand de grond bereiken. Een nieuwe, roze huid bedekt mijn hand en ik slaak een zucht van verlichting. Dat was maar net op tijd. En schrik wakker uit een dutje. Woester droom ik deze dagen. Nog steeds regent het.

Uit Hondenwacht. Klik hier om het boek in te kijken of te bestellen.

Op vol vermogen

Buiten bereik. Mijn mobiel schreeuwt om contact, zendt op vol vermogen de boodschap uit dat ik er ben en dat ik praten wil, wil appen, sms-sen, het weer bekijken. Geen service, zegt het scherm al de hele dag.

Het derde uur van de hondenwacht begint en ik zit aan de kaartentafel en schrijf op mijn tablet. Ik tik het woordje ‘een’ en de spelling suggereert om door te gaan met ‘dooie’, ‘vrouw’ of ‘zeilboot’. Ik wilde schrijven: een passagiersschip aan de horizon. In gedachten ben ik daar aan boord en dans terwijl het orkest enthousiast een walsje speelt.

Uit Hondenwacht. Klik hier om het boek in te kijken of te bestellen

.

Nieuw! Hondenwacht als boek

Dagdromen door slaaptekort, ontdekken dat Sirenen echt bestaan, onderlinge irritatie na weken varen, wat als er windkracht acht komt, de heimwee naar een vers broodje en de veel te kleine vliegtuigstoel op weg naar huis…

Hondenwacht neemt je mee naar zee. De ruim zestig belevenissen zijn geschreven om wakker te blijven tijdens de hondenwacht. En na zes weken doorvaren over Noordzee, Kanaal en Golf van Biskaje ontstond er een nieuwe werkelijkheid. Een grensgebied tussen wakker zijn en dromen.

Het is een prachtig boekje geworden. De vormgeving is van Monique Kalfsbeek en het schilderij op de cover is van Giovanni Winne. Even inkijken?

 

Snib

Van ver al zie ik dat hun hond losloopt, keurig naast de baas. Mijn hond loopt ook los, dus dat komt wel goed. Hij is wat stram vandaag en hinkt soms een beetje. Leeftijd. Als we vijftig meter van hen vandaan zijn, steekt hij het wandelpad over en hobbelt hun hond tegemoet. Ze kwispelen allebei. Ik groet. De man en de vrouw kijken weg en reageren niet. Hij speurt de horizon af naar ander leven en zij houdt haar blik strak gericht op de honden die aan elkaar ruiken.
‘Kom, Fleur, daar houd ik niet van,’ snibt ze.
‘Fleur, kom mee,’ roept hij halfhard op gebiedende toon.
Ik loop door – mijn hond komt vanzelf achter me aan – en kijk nog even om. Fleur loopt in de pas naast haar baas en hij weer keurig in de pas naast zijn vrouw.

Gat

Soms komt er iemand langs die allang is overleden, onaangekondigd als een regenbui op een zomerdag, een oprisping met tranen, een gat in de tijd dat openspringt en langzaam opvult met de dagelijkse dingen zoals autorijden, eten en de hond uitlaten. Ik trek mijn laars los uit de waddenklei en zie hoe de modder terugstroomt, de ruimte die er even was verorbert. Eerst komt het water, daarna volgen de korrels. Dan is het gat verdwenen. Tot ik opnieuw een stap zet en een volgend gat forceer door weg te zakken, los te trekken, door te lopen. Na honderd meter als ik achterom kijk geen spoor vanwaar ik kwam. Soms treft me iemand die allang is overleden, tot ik beweeg, het gat zich sluit en ik vergeet, niet weet, vaak niet eens meer weet.

New York shake

Mijn koffer laat ik voor wat hij is en ik ruk de gordijnen open. Wolkenkrabbers! Dat wil je zien als je in New York City bent, zelfs uit het raam van je hotelkamer. Het voelt of de vloer trilt. Onzin. Nee, echt. De vloer trilt. Een kleine beweging die licht begint onder mijn voeten en langs mijn kuiten omhoogkruipt naar mijn dijbenen en bekken. Is het de wind die door de straten jakkert en aan de huizen en gebouwen rukt? Staat het hotel op een stalen frame dat trilt als er een auto langsdendert? Misschien het vliegtuig dat nog naschudt in mijn spieren? Opwinding dat ik in New York ben? Zo moe dat ik het heelal voel resoneren? De gedachten buitelen over elkaar. Ik laat me in een stoel vallen en check de thee die in een glas op een tafeltje staat. De thee kijkt rimpelloos terug. Het licht van de neon-reclames gluurt naar binnen en tekent blauwe en roze vegen op de muur. In de straat hoor ik schreeuwen, auto’s en zo’n typisch Amerikaanse sirene. Wahwahwah, woeoeoeoeiiiiiiii. Onder mij trilt nog steeds de wereld.

Hungry

‘Goodmorning. I hope you all have a great day.’ De deuren op de kopse kant van de metro zwiepen open. Een grote zwarte man stapt binnen. Ik denk aan kaartcontrole, maar hij ziet er wat rommelig uit en de plastic zak in z’n rechterhand past niet bij een controleur. Zonder een moment van aarzeling praat hij door en zijn zware stem vult de hele wagon.

‘I am sorry to disturb you, but I am homeless and hungry and it would be great if you could help me out with a quarter or a dime or something to eat. Thank you and may God bless you.’

Na de korte speech loopt hij langzaam de wagon door en rammelt een koffiebeker met muntjes op en neer. De meeste mensen kijken stug voor zich uit. Een enkeling zoekt naar wat muntgeld. Een halve minuut later vertrekt hij door de deuren aan de andere kant van de wagon. Even het felle geluid van ratelende wielen. Dan knalt de deur weer dicht en en de coupé vult zich met de zware geur van olie en metaal.

Vakantiekiekje

Ze pakt haar camera, lacht en kijkt vragend. Geroutineerd trek ik mijn fotogezicht, voorhoofd ontspannen, lachrimpeltjes rond mijn ogen, mondhoeken iets omhoog maar net niet zo ver dat mijn oren meeschuiven en een vrolijk gevoel rond mijn maag. Freeze. Klikt u maar.

Koffer

‘Waneer geef ik nou fooi en hoeveel?’ Tijdens een etentje in Manhattan vraag ik het twee tafelgenoten. Gek word ik van het Amerikaanse fooiensysteem, want wanneer wel en wanneer niet en hoeveel dan?
‘Als ze gewoon hun werk doen, geef ik geen fooi,’ zegt de een, ‘daarvoor moeten ze iets extra’s gedaan hebben.’
‘Wat een onzin,’ zegt de ander, ‘horeca en taxi doe ik altijd want die verdienen echt haast niks,’ zegt de ander.
‘Dus de man die in het hotel de deur voor ons openhoudt moet een fooi?’
‘Nee, dat is zijn werk, maar als hij je koffer naar binnen draagt, dan wel.’
‘Die koffer draag ik toch gewoon zelf?’ anwoord ik.
Hij kijkt me verbaasd aan.

So Sorry

‘En nu nog een schitterende foto als herinnering!’ De kaartverkoper duwt ons voor een groen scherm. Protesteren en zeggen dat we die foto echt niet willen, helpt niet. ‘U krijgt er geheid spijt van als u het niet doet, dat risico wilt u toch niet lopen! En u hoeft ze niet te kopen, het is echt vrijblijvend!’
Dus we trekken op verzoek een lachend gezicht, zeggen op commando “cheers” en steken als de fotograaf het vraagt met een big smile onze duimen omhoog.
Het is stil op de boot die ons rond Manhattan vaart, er staat een gure wind en uit de dreigende lucht valt zo nu en dan een felle bui. Vlak voor we vertrekken, komt een dame met een blik van herkenning op ons af. Ze opent een felblauw A4-mapje en daar staan we dan, breedlachend en superamerikaans met onze duimen omhoog, gefotoshopt tegen de achtergrond van Manhattan. We kijken elkaar verbijsterd aan, het is nog erger dan we hadden verwacht. Vijftig dollar slechts voor het hele mapje met acht foto’s en twintig voor alleen die met de opgestoken duimen. Sorry. So Sorry. Maar we kopen ze niet. Even later haal ik een chocoladekoek en een kartonnetje thee voor ons beiden. Achttien dollar sir. Hun wraak is zoet.