Pas

Thee, denk ik en sta op van achter mijn bureau. Vanuit mijn ooghoeken kijk ik naar buiten en zie een blauwe reiger die naar binnen staat te gluren. Ik bevries mijn pas. De reiger staat doodstil, alleen het gras rond zijn poten beweegt in de wind. Achter de reiger is de akker grijs van ganzen die stilletjes het groen verorberen. Vanuit de ochtendmist duikt een ruiter op. Hij galoppeert langs de beek en komt snel dichterbij. De reiger draait zijn kop naar het geluid en vliegt op. Direct dwarrelen grote zwermen ganzen omhoog. Ook ik kom weer in beweging en zet een pas richting keuken.

A28

Het is laat. Het ritme van de witte strepen maakt me suf en doezelig. Een snelle blik in de achteruitkijkspiegel duurt langer dan ik durf. Dus ik hou mijn stuur recht, de voet stijf op het gaspedaal en mijn ogen strak vooruit. Raam open. Koude wind en herrie. Raam weer dicht. Radio? ‘… dat heb ik dit voorjaar ook gezegd in het kader van …’ zegt een trage mannenstem. Uit. In een reflex lukt alles nog. Niet denken. Ik zie een P, sla af, ren vijf rondjes rond de auto. Het miezert.

Weten

Ik wring me in mijn schoenen. Hond kijkt op. Hij kwispelt. Wat heerlijk niet te weten wat er straks gebeuren gaat, denk ik. Niet weten van die klus die vanavond af moet zijn, niet van de auto die een beurt moet hebben, niet van de pc die hapert, niks van morgen, niets van welke dag erna dan ook. Alleen vandaag dat telt, alleen het nu. Ik schuif de tuindeur open en laat me vallen in een luie stoel. Mijn wangen warmen in de najaarszon. Hond ligt in het gras en knaagt aan een teruggevonden botje. De wind speelt met zijn haar.

Taxi

Een vlieg zeurt rond mijn hoofd. Ik haal uit, maar hou mijn ogen op de weg want hoorde op het nieuws over een bus die van een brug afreed toen de chauffeur terugsloeg naar een boze passagier. De vlieg ontwijkt mijn hand met speels gemak en zet zich op het warme scherm van de tomtom, vliegt weer op en landt dan midden op mijn kale hoofd. Weer mijn hand en weer ontsnapt de vlieg. Als ik straks stop – ik ben op weg naar Amsterdam – jaag ik hem de auto uit. Dat zal hem leren, want dan moet hij vliegend terug naar huis. Hoe lang zo’n dier daar over doet? Een week of misschien twee? Als ik de parkeergarage inrij, zit de vlieg op het raam van het portier. Ik open de deur en hij stuift gedecideerd de auto uit. Alsof hìj op weg was hier naartoe.

Stil

Vandaag blijft het stil. Er was een krekel bij ons ingetrokken. Verstopt onder het aanrecht, achter de planken, ver weg in een hoekje dat met zaklamp en stofzuiger niet is te bereiken. Elke avond om half tien stipt begon hij zijn gezang en hij ging door tot ver na middernacht. Een krekel tijdens Nieuwsuur, een krekel die Pauw voortdurend in de rede valt, een krekel als ik naar bed ga, een krekel vlak voordat ik eindelijk in slaap val. Vandaag blijft het stil. En hoewel ik iedereen en alles een lang leven gun, is deze rust toch ook wel fijn. De tv laat ik uit. De schuifdeur naar de tuin staat op een kier. Er blaast een frisse wind naar binnen.

Plop

Het voelt of ik binnenkort word uitgespuugd, onontkoombaar bovenplop uit de diepte van de warme zee, waarvan ik dacht, toen ik erin dook, dat ik voor altijd weg zou blijven, zou genieten van de warmte die straalde tot in mijn verste vezels, maar ergens blijkt het diepste punt bereikt en begint de weg omhoog. Elke armbeweging, elk schoppen van mijn been leidt tot bovenkomen. Heel lang kon ik denken dat ik een vis was, diep gedoken thuis, maar nu zelfs het water mij naar boven drijft, heb ik geen verweer. Hooguit is er spartelen en tegenzin en treuzelen waar het nog kan, met longen die verlangen naar nieuwe frisse lucht, de oude muf en, als ik eerlijk ben, lang al opgebruikt.

Jukebox

In mijn hoofd speelt een jukebox Paradise by the dashboard light, vast ergens op tv gehoord. Dom nummer, maar het plakt en om het te overstemmen, zing ik in gedachten I can’t quit you babe van Led Zeppelin dat ik onder de douche wel eens neurie, maar de Aaah aan het begin verandert in Good vibrations van de Beach Boys. Even later weer dat Paradise. Vergeten lukt niet, hoe stop je met aan iets denken dat zich niet laat overstemmen? Ik scan langs mijn Spotify-playlist met interessante muziek. Vaak maar half gehoord, gemarkeerd voor later dat nooit komt omdat er altijd weer een nieuwer aanbod is. Ja, deze wil ik wel een tijdje in mijn jukeboxhoofd en ik Woo Woo gezellig mee met ALA.NI. Hardop, om het voor eeuwig in te prenten, want wat je spontaan wilt horen, moet je herhalen, eindeloos herhalen.

Meeneurieën? https://amazingtunes.com/alani/tunes/329213

Ontbijt

Uit Turkije denk ik en een jaar of vijftig. Hij zit in zijn eentje aan een vierpersoonstafel in de ontbijtzaal van het hotel. Voor hem een bord met broodjes. Zwarte koffie rechts. Links naast zijn bord ligt een forse mobiel. Hij eet een croissant en tussen de happen door praat hij met ingehouden stem voor zich uit. Als hij een slok koffie neemt, hoor ik een blikkerige vrouwenstem iets terugzeggen. Het gesprek duurt lang. Soms haalt hij een tweede mobiel uit zijn broekzak en kijkt er even op. Tijdens het kauwen luistert hij aandachtig naar wat de vrouwenstem te zeggen heeft om als de hap is doorgeslikt op rustige toon te antwoorden. Zijn bord is leeg. Hij staat op en loopt naar het ontbijtbuffet. De vrouw praat door. Haar stem klinkt als een vraagteken. Even is het stil. Ze verheft haar stem. En nog een keer. Ik ben de enige die haar hoort. Verstaan kan ik haar niet.

Armgebaar

‘Mijn baas vroeg nog, wat ga je missen nu je niet meer hoeft te werken en hij keek me zo aan van die gaat nog spijt krijgen. Niks zei ik tegen hem, niks, het voelt of ik eindelijk mijn vrijheid terug heb. Nee, met vrijheid hoef je niks speciaals te doen. Gewoon leven, dat is toch genoeg, want daar gaat het om. Dit bos hier, wandelen, koken, de tuin, voor mij is dat genoeg. Ja, hij belde dan nog wel eens of ik zin had in een klusje. Soms deed ik dat, want dan kan je eens een keer iets extra’s doen. Maar die vrijheid, nee, die geef ik niet meer weg. Want nu heb ik alle tijd voor dit.’
Zijn armgebaar omhelst het herfstig bos, de zware lucht, de torenhoge stapelwolken, onze honden die wat snuffelen op het slingerpad langs de brede sloot. Een kikker plompt vanaf de wal het water in. Boven de bomen schreeuwt een buizerd.

Cocon

Net uit bed en onwennig nog zoek ik naar mijn vest. O ja, daar op die stoel, keurig over de leuning. Ik schiet het aan en maak wat eten voor de hond en voor mijzelf. Gedachteloos beweeg ik mijn hand naar mijn nek waar het kriebelt. Mijn wijsvinger raakt iets aan en ik voel een felle beet. Woest veegt mijn hand opzij over mijn huid en op de opengeslagen krant valt een dikke spin. Ze blijft roerloos zitten, alsof ze wacht tot ik zo meteen neerval en ze me in een cocon verpakken kan voor later. Tien minuten later zit ze er nog. Stil en onbewogen. Of dood wellicht? Het is een dikke. Op haar rug een groot wit kruis. Onwillekeurig masseert mijn hand de plek waar ik ben gebeten. Ik wip de krant een beetje op en onbedoeld rolt de spin op haar rug. Acht poten grijpen naar me. Ik deins terug en zie hoe ze razendsnel langs de tafelpoot naar beneden rent en in een hoek verdwijnt. De hele dag nog, voel ik dat ze op me loert. Een onvergetelijke prooi.

Slagen

Een, twee, drie, vier, vijf, zes. Na de laatste slag van de kerkklok blijft het stil. Het is ruimschoots ochtend, toch heb ik maar zes klokslagen gehoord. Ik weet het zeker. De stilte duurt en duurt en ik blijf tegen beter weten in nog altijd wachten op zeven, acht, negen en tien. Er komt niets. Licht geïrriteerd bedenk ik dat ik nog steeds niet weet hoe laat het is. De wind blaast langs mijn gezicht, verderweg klinkt het verkeer, wat dichterbij de vogels in de bomen, het blad ritselt in de struiken. Maar de torenklok blijft stil.

Bezet

Vanaf de deur van het herentoilet grijnst een rode glimlach me tegemoet. Bezet. Ik leun tegen de tegelwand en staar voor me uit. Vanuit de verte klinkt de autoweg, ik ruik vers gebakken brood uit de take away in het benzinestation en uit de luidsprekers in het plafond klinkt iets te harde muziek. Net als ik denk dat die man op dat toilet wel eens wat haast mag maken, trekt hij door. Even gebeurt er niets. Opnieuw trekt hij door en komt dan naar buiten. In een reflex bekijk ik hem van top tot teen. Groot, baardje, t-shirt, stevige blote armen, werkbroek, hoge schoenen en ik realiseer me dat ik door nu die deur binnen te gaan wel heel intiem met hem word. De geur van wat hij deed. Zijn warmte nog in de toiletbril. Ik dring de gedachte weg. Als ik even later het toilet verlaat, valt de deur met een klap achter me dicht. Een man die tegen de tegels leunt, kijkt me onderzoekend aan. Dan recht hij zijn rug en rukt gedecideerd de toiletdeur open.

Krak

Een vroege najaarsdag. Het eerste blad kleurt rood en geel, de lucht is zacht, het bos een beetje drassig. Ik doe het zonder bril vandaag en hoor soms ver beneden mij een zachte krak. Onder mijn wandelschoenen verpulveren de huizen van de slakken die moedig het pad oversteken. Naar links of naar rechts, net waar de slak dacht dat het beter was. En het verbaast me dat de een gaat naar naar waar de ander net vandaan komt. Ik zet mijn bril op, zodat ik er niet nog meer vertrap, maar weet dat er ook kleiner leven is dat ondanks mijn scherper zicht onhoorbaar sneuvelt onder mijn zwaar geschoeide voeten.

Zucht

‘We gaan naar het noorden,’ zegt de schipper. ‘Daar willen we weliswaar niet heen, maar het is de snelste manier om in Hull te komen. De wind draait morgen naar het noordwesten en als we dan maar noordelijk genoeg zijn, waaien we zo naar onze bestemming. Snap je het?’ De schipper kijkt me vragend aan. Als ik herhaaldelijk knik, mompelt hij goedkeurend: ‘Dan ga ik nu slapen. De komende vier uur is ze van jou. Maar als er iets is, als je iets niet weet, of als je je onprettig voelt met de situatie, dan moet je mij direct roepen hoor!’

Veel wind is er niet. Soms zes knopen, soms maar twee. We dobberen langs een productieplatform met een onderhoudsschip ernaast en drijven langzaam in de richting van een cluster olie-installaties. Zo nu en dan vaart er een vrachtschip achter ons langs. Ondertussen betrekt de lucht en valt de wind vrijwel weg. Het water heeft een doffe glans en lijkt van stroop. Natuurlijk is er wind, denk ik tegen beter weten in. We moeten toch vooruit kunnen komen, anders liggen we hier nog uren. Ik stel de zeilen bij voor weinig wind, maar het helpt niet. De motor bijzetten? Nog bijna zestig mijl naar de kust. Het trekt me niet om zo ver te motoren, daarbij, we zouden alles zeilend oplossen.

De eerste spetters vallen en ondanks het licht zwoele weer hijs ik me in mijn zeilpak. Een paar dagen maar zou de tocht van Texel naar Harwich of Hull gaan duren en daar vandaan zou ik direct de boot naar huis nemen om de stapels werk die op me wachten aan te pakken. En nu ligt de neus van de boot de verkeerde kant op en is er geen wind.
Ik zucht eens diep, pak mijn camera en kijk om me heen. Ik maak een paar foto’s van de vlakke zee, van de steeds zwaardere regenwolken, van de zon die bloedrood ondergaat. Dertig foto’s later verbaas ik me over het onnatuurlijk blauw dat zee en wolken kleurt en als het eigenlijk te donker is om nog te fotograferen, leg ik bewogen vast hoe het licht van de volle maan felwit reflecteert op het rimpelende water. Ik hoef nergens heen, schrijf ik later in het logboek. Ik ben er al. Het is hier prachtig.

Zondag

Het is stil in het veld. Een leeuwerik fluit klanken die doen denken aan verre radiozenders, geluiden van onbekende planeten. Witte wolken drijven rustig door de blauwe lucht en brengen mijn blik naar de traag draaiende propellers van de windmolens op de horizon. Het graan ruist zacht. Hond snuffelt in de berm en gaat zitten als een fietser knerpend nadert over het sintelpad. Een fluitsignaal. Achter een bomenrij net in Duitsland begint de zondagse voetbalwedstrijd. De stilte trekt zich terug. Als altijd klinkt het voetbal ‘wie ein kleiner Krieg.’