Ontbijt

Uit Turkije denk ik en een jaar of vijftig. Hij zit in zijn eentje aan een vierpersoonstafel in de ontbijtzaal van het hotel. Voor hem een bord met broodjes. Zwarte koffie rechts. Links naast zijn bord ligt een forse mobiel. Hij eet een croissant en tussen de happen door praat hij met ingehouden stem voor zich uit. Als hij een slok koffie neemt, hoor ik een blikkerige vrouwenstem iets terugzeggen. Het gesprek duurt lang. Soms haalt hij een tweede mobiel uit zijn broekzak en kijkt er even op. Tijdens het kauwen luistert hij aandachtig naar wat de vrouwenstem te zeggen heeft om als de hap is doorgeslikt op rustige toon te antwoorden. Zijn bord is leeg. Hij staat op en loopt naar het ontbijtbuffet. De vrouw praat door. Haar stem klinkt als een vraagteken. Even is het stil. Ze verheft haar stem. En nog een keer. Ik ben de enige die haar hoort. Verstaan kan ik haar niet.

Armgebaar

‘Mijn baas vroeg nog, wat ga je missen nu je niet meer hoeft te werken en hij keek me zo aan van die gaat nog spijt krijgen. Niks zei ik tegen hem, niks, het voelt of ik eindelijk mijn vrijheid terug heb. Nee, met vrijheid hoef je niks speciaals te doen. Gewoon leven, dat is toch genoeg, want daar gaat het om. Dit bos hier, wandelen, koken, de tuin, voor mij is dat genoeg. Ja, hij belde dan nog wel eens of ik zin had in een klusje. Soms deed ik dat, want dan kan je eens een keer iets extra’s doen. Maar die vrijheid, nee, die geef ik niet meer weg. Want nu heb ik alle tijd voor dit.’
Zijn armgebaar omhelst het herfstig bos, de zware lucht, de torenhoge stapelwolken, onze honden die wat snuffelen op het slingerpad langs de brede sloot. Een kikker plompt vanaf de wal het water in. Boven de bomen schreeuwt een buizerd.

Cocon

Net uit bed en onwennig nog zoek ik naar mijn vest. O ja, daar op die stoel, keurig over de leuning. Ik schiet het aan en maak wat eten voor de hond en voor mijzelf. Gedachteloos beweeg ik mijn hand naar mijn nek waar het kriebelt. Mijn wijsvinger raakt iets aan en ik voel een felle beet. Woest veegt mijn hand opzij over mijn huid en op de opengeslagen krant valt een dikke spin. Ze blijft roerloos zitten, alsof ze wacht tot ik zo meteen neerval en ze me in een cocon verpakken kan voor later. Tien minuten later zit ze er nog. Stil en onbewogen. Of dood wellicht? Het is een dikke. Op haar rug een groot wit kruis. Onwillekeurig masseert mijn hand de plek waar ik ben gebeten. Ik wip de krant een beetje op en onbedoeld rolt de spin op haar rug. Acht poten grijpen naar me. Ik deins terug en zie hoe ze razendsnel langs de tafelpoot naar beneden rent en in een hoek verdwijnt. De hele dag nog, voel ik dat ze op me loert. Een onvergetelijke prooi.

Slagen

Een, twee, drie, vier, vijf, zes. Na de laatste slag van de kerkklok blijft het stil. Het is ruimschoots ochtend, toch heb ik maar zes klokslagen gehoord. Ik weet het zeker. De stilte duurt en duurt en ik blijf tegen beter weten in nog altijd wachten op zeven, acht, negen en tien. Er komt niets. Licht geïrriteerd bedenk ik dat ik nog steeds niet weet hoe laat het is. De wind blaast langs mijn gezicht, verderweg klinkt het verkeer, wat dichterbij de vogels in de bomen, het blad ritselt in de struiken. Maar de torenklok blijft stil.

Bezet

Vanaf de deur van het herentoilet grijnst een rode glimlach me tegemoet. Bezet. Ik leun tegen de tegelwand en staar voor me uit. Vanuit de verte klinkt de autoweg, ik ruik vers gebakken brood uit de take away in het benzinestation en uit de luidsprekers in het plafond klinkt iets te harde muziek. Net als ik denk dat die man op dat toilet wel eens wat haast mag maken, trekt hij door. Even gebeurt er niets. Opnieuw trekt hij door en komt dan naar buiten. In een reflex bekijk ik hem van top tot teen. Groot, baardje, t-shirt, stevige blote armen, werkbroek, hoge schoenen en ik realiseer me dat ik door nu die deur binnen te gaan wel heel intiem met hem word. De geur van wat hij deed. Zijn warmte nog in de toiletbril. Ik dring de gedachte weg. Als ik even later het toilet verlaat, valt de deur met een klap achter me dicht. Een man die tegen de tegels leunt, kijkt me onderzoekend aan. Dan recht hij zijn rug en rukt gedecideerd de toiletdeur open.

Krak

Een vroege najaarsdag. Het eerste blad kleurt rood en geel, de lucht is zacht, het bos een beetje drassig. Ik doe het zonder bril vandaag en hoor soms ver beneden mij een zachte krak. Onder mijn wandelschoenen verpulveren de huizen van de slakken die moedig het pad oversteken. Naar links of naar rechts, net waar de slak dacht dat het beter was. En het verbaast me dat de een gaat naar naar waar de ander net vandaan komt. Ik zet mijn bril op, zodat ik er niet nog meer vertrap, maar weet dat er ook kleiner leven is dat ondanks mijn scherper zicht onhoorbaar sneuvelt onder mijn zwaar geschoeide voeten.

Zucht

‘We gaan naar het noorden,’ zegt de schipper. ‘Daar willen we weliswaar niet heen, maar het is de snelste manier om in Hull te komen. De wind draait morgen naar het noordwesten en als we dan maar noordelijk genoeg zijn, waaien we zo naar onze bestemming. Snap je het?’ De schipper kijkt me vragend aan. Als ik herhaaldelijk knik, mompelt hij goedkeurend: ‘Dan ga ik nu slapen. De komende vier uur is ze van jou. Maar als er iets is, als je iets niet weet, of als je je onprettig voelt met de situatie, dan moet je mij direct roepen hoor!’

Veel wind is er niet. Soms zes knopen, soms maar twee. We dobberen langs een productieplatform met een onderhoudsschip ernaast en drijven langzaam in de richting van een cluster olie-installaties. Zo nu en dan vaart er een vrachtschip achter ons langs. Ondertussen betrekt de lucht en valt de wind vrijwel weg. Het water heeft een doffe glans en lijkt van stroop. Natuurlijk is er wind, denk ik tegen beter weten in. We moeten toch vooruit kunnen komen, anders liggen we hier nog uren. Ik stel de zeilen bij voor weinig wind, maar het helpt niet. De motor bijzetten? Nog bijna zestig mijl naar de kust. Het trekt me niet om zo ver te motoren, daarbij, we zouden alles zeilend oplossen.

De eerste spetters vallen en ondanks het licht zwoele weer hijs ik me in mijn zeilpak. Een paar dagen maar zou de tocht van Texel naar Harwich of Hull gaan duren en daar vandaan zou ik direct de boot naar huis nemen om de stapels werk die op me wachten aan te pakken. En nu ligt de neus van de boot de verkeerde kant op en is er geen wind.
Ik zucht eens diep, pak mijn camera en kijk om me heen. Ik maak een paar foto’s van de vlakke zee, van de steeds zwaardere regenwolken, van de zon die bloedrood ondergaat. Dertig foto’s later verbaas ik me over het onnatuurlijk blauw dat zee en wolken kleurt en als het eigenlijk te donker is om nog te fotograferen, leg ik bewogen vast hoe het licht van de volle maan felwit reflecteert op het rimpelende water. Ik hoef nergens heen, schrijf ik later in het logboek. Ik ben er al. Het is hier prachtig.

Zondag

Het is stil in het veld. Een leeuwerik fluit klanken die doen denken aan verre radiozenders, geluiden van onbekende planeten. Witte wolken drijven rustig door de blauwe lucht en brengen mijn blik naar de traag draaiende propellers van de windmolens op de horizon. Het graan ruist zacht. Hond snuffelt in de berm en gaat zitten als een fietser knerpend nadert over het sintelpad. Een fluitsignaal. Achter een bomenrij net in Duitsland begint de zondagse voetbalwedstrijd. De stilte trekt zich terug. Als altijd klinkt het voetbal ‘wie ein kleiner Krieg.’

Paradijs

Zes kilometer maar naar Paradijs. Het lijkt een buitenkans. Eerst een grote weg, dan een smallere, dan een enkelbaans weggetje waar maar net één auto op past langs een hoge dijk met vergeeld gras. Na wat scherpe bochten en een paar verscholen huizen zegt Google Maps dat ik er ben. Niks bijzonders te zien. Misschien dat het achter de dijk ligt? Het draaihekje onderaan de smalle opgang piept en kreunt en draait met tegenzin open. Tree voor tree beklim ik de groen uitgeslagen betonnen trap tegen de dijk omhoog. Bovenaan de trap nog zo’n hekje. Het krijst jammerlijk als ik me erdoorheen wring. Dan uitzicht op een meertje. Vol verwachting kijk ik rond. Een paar peinzende vissers, een waterskiër die maar blijft vallen, wat bomen en in de verte heel veel industrie. Al snel draai ik me om, trek het gillende hekje open en daal de traf af naar beneden. Paradijs lijkt angstig veel op de wereld die ik ken.

Zag

Vannacht zag ik een rol papier op de vloer, bukte om hem op te rapen en gleed met mijn vingers door een smalle bundel maanlicht.

Stof

Het huis is leeg. De nieuwe kast, die prima bank, de schilderijtjes aan de muur, de klok die herinnert aan hun 25jarig huwelijk, alles wat van waarde leek is weggegooid. Het laatste sopje wist haar geuren uit, lost haar sporen op. Hoeveel kan een mens bewaren. Als ik straks thuis ben, krijgt de stofzuiger -mijn erfenis- een nieuwe zak. De oude gooi ik in de vuilnisbak, haar sporen achteloos vermengd met vuil van alle buren. De lijstjes met de laatste klusjes afgestreept. Op het aanrecht staat een doos met de rouwkaarten die overbleven, niemand die ze nu al weg kan gooien.
‘U bent altijd welkom,’ zegt de nieuwe huurder, ‘als u hier nog eens wilt kijken, van harte, dan komt u toch bij mij op de koffie!’ Maar ik wantrouw zijn vage blik, de druppel aan zijn neus, zijn scheve loop en hoe hebberig hij kijkt naar een kast die hij later toch ruimhartig overneemt.
Veel herinnert me niet aan haar. Een foto van mijn vader in een lijst die altijd op de schoorsteenmantel stond, een trouwring met zijn naam erin, een stofzuiger die ik niet gebruik en zo nu en dan in onze keuken een theedoek die ik niet herken, waar ik bij beter kijken een merkje op ontwaar en dan met leesbril op haar naam kan lezen. En soms -zoals daarnet toen ik de trap afliep- denk ik dat ik haar nodig weer eens bellen moet.

Rag

Ik ben de eerste die hier loopt vandaag. Om de paar meter voel ik spinnendraden op mijn gezicht, in mijn stoppelbaard, op mijn blote armen. Ze zijn dik en sterk en bieden weerstand. En als ze knappen -met een hoorbaar plopje soms- kriebelen ze langs mijn neus.
Per ongeluk glijdt mijn blik langs mijn t-shirt naar beneden. Drie dikke spinnen rennen op navelhoogte driftig heen en weer. De grootste lijkt mijn beweging op te merken en klimt zo snel hij kan omhoog in de richting van mijn keel. Met een gerichte beweging tik ik hem van me af. Denk ik. Want het beest grijpt zich vast aan de kleverige draden die nog aan mijn vingers plakken. Ik wapper mijn hand heen en weer en veeg langs de bast van een berkje. Het lukt. De spin rent omhoog langs de stam. De andere twee spinnen zitten nog steeds op mijn shirt. Bewegingloos alsof ze zich beraden op wat ze zullen doen nu er een minder is. Maar ik geef ze geen kans en schudt de stof heen en weer totdat ze vallen. Met mijn armen als een breekijzer voor mijn gezicht loop ik verder. Later in de auto kijk ik in de spiegel. Spinrag hangt als vergeten grijze haren aan mijn kale kop.

(Dit is een van mijn drie korte verhalen uit de bloemlezing ‘Alles wat hier wortel schiet’ met werk van 33 schrijvers uit Drenthe. Te koop via http://www.drentheboeken.com/Webwinkel-Product-252833159/Alles-wat-hier-wortel-schiet.html)

Dag!

‘Dag schaap,’ klinkt een heldere stem achter me. Het is bijna laagwater, de kreken in het stille natuurgebied lopen langzaam leeg naar zee. De zachte klei zuigt bij elke pas mijn laarzen vast en maakt mijn stappen zoekend en onzeker.
‘Dag meeuwen,’ zingt de meisjesstem. Ik kijk om. Ze loopt een paar meter voor de rest van het gezin en huppelt over het pad. Onwillekeurig lach ik naar haar en doe in gedachten mee. Groet het blauwgroene gras, een dode krab, de middagzon, de blauwe lucht met witte wolken, zwaai naar een schip op weg naar zee, glimlach naar de doorgezwete hoed op mijn hoofd, naar de schaduw onder de bomen, de dichtdreunende deur van de auto, de koelte van de airco en naar een meisje dat de wereld vrolijk maakt. Dag!

Druk

Op het fietspad langs de provinciale weg staan twee wielrenners. Allebei in een zwarte outfit. Eerst zij. Ik zie haar op de rug. Ze staat stil. Benen half wijd. Haar fiets schuin onder zich. Een hand in haar zij. De andere hand houdt haar mobiel vast. Met gebogen hoofd kijkt ze ingespannen naar het scherm. Dan hij, twintig meter verder. Ik zie hem op zijn rug. Hij staat stil. Zijn benen klemmen zijn fiets vast. Zijn linkerhand rust op het stuur en zijn rechterhand duwt zijn mobiel tegen zijn rechteroor. Hoofd rechtop. Mond beweegt. Even probeer ik te achterhalen in welke volgorde deze situatie is ontstaan. Werd hij gebeld en stopte hij om relaxed te kunnen praten en stopte zij toen ook met lichte tegenzin en appt ze nu wat om de tijd te doden? Hoorde zij het bliepje van een appgroep, stopte ze om te kijken en ging hij toen bellen? Reed hij ver vooruit en wacht hij heel attent op haar en belt hij nu om ondertussen even iets te doen en was zij er sneller dan hij dacht en checkt ze tot zijn gesprek is afgelopen eventjes haar berichten? Of is zijn belgedrag op elke tocht een bron van ergernis en is ze het nu zat, appt ze haar beste vriendin of die haar op wil komen halen? Voor ik de puzzel op kan lossen rij ik de bebouwde kom binnen. Het is er net zo druk als in mijn hoofd.

Scoort

Achter het huis zit ik te niksen met lekker sterke thee. Ik speur naar iets dat eeuwig is, zie paardenbloemen, gras, een sloot, bomen, wolken. Mussen tsjilpen in de struiken. Een eenmotorig vliegtuig trekt laag over. Verderop in het dorp klinkt luid gejuich, het voetbalelftal scoort. Veel eeuwigheid nog niet gevonden. Alleen een beetje leven. Kalm en kabbelend. Op een warme zondagmiddag terwijl er in de verte onweer dreigt.