Frisse neus

Ach, een dood molletje. Goh, ja. Of zou het een ratje zijn. Hij heeft inderdaad voor een mol wel heel veel haar. Wintervacht? Of hebben ze dat niet? We hadden hem even op zijn rug moeten draaien. Ja, dan hadden we het geweten. Ja, want die graafpoten kan je niet missen. Terug en kijken? Ach nee, dan weet je het. En dan? Ja, dan weet je het. Dan kan je vanavond nog eens ‘goh’ zeggen. Ja? Ja, goh, dat molletje. Of goh, dat ratje. Goh, ja.

Natte ‘t’

‘Een mens lijkt soms net een sproeiende fontein,’ zeg ik tegen de man achter de toonbank. Hij doet een stapje terug en zegt een woord dat met een ‘t’ begint. In het zonlicht dat schuin door de winkel schijnt en mijn silhouet in de goedkopere tv-schermen laat reflecteren, zie ik tientallen spuugspetters mijn kant opvliegen en landen op de glasplaat waar mijn zojuist gekochte spullen liggen. ‘In totaal is het tweeënzestig euro tachtig,’ zegt hij luid en duidelijk. Met zeven keer een kleddernatte ‘t’. Als ik mijn pinpas pak, wijst hij behulpzaam naar het apparaat dat minder dan een meter van hem afstaat. Arwanend kijk ik naar de toetsen, naar mijn wijsvinger, maar er is echt geen ontkomen aan.

Virus

Zap. Andre Rieu, vlak voor het nieuws begint. Zap haastig weg. Zap toch weer terug om het begin van het journaal niet te missen. Het orkest speelt Marina, die oude hit van Rocco Granata, tegen een decor van ontploffende lichtballen. Mijn hoofd adopteert de melodie en zingt zomaar mee met de naam in het refrein Marina Marina Marina, blijft hangen op haar naam Marina Marina Marina, zingt uit zichzelf Marina Marina Marina, zeurt Marina Marina Marina, zanikt Marina Marina Marina. En terwijl Marina wordt grijsgedraaid in mijn interne jukebox, veranderen de woorden in Corona Corona Corona. Het gemuteerde liedje zingt al dagen door mijn hoofd, onuitstaanbaar als het virus zelf.

Niks

Het niks heeft me gegrepen. Zomaar ineens, zonder dat ik er erg in had was het er. Ik werd er niet anders van dacht ik en ook mijn vrouw zei dat ik niet anders was dan anders. Toch zat het me dwars. Want dat het niks je grijpt, dat is niet mis, daar zijn mensen aan gestorven, gek van geworden, door aan de drank geraakt. Maar bij mij kwam het gewoonweg binnen. Het was er en het bleef. Dus ook nu is het er nog steeds, het niks. Een extra laag in mij die er misschien toch ook niet is. Een extra dimensie die niemand ziet en ik zelf vaak ook niet, afgezien van een enkel moment van diepe stilte dat nieuw is, dat ik nog niet kende en waarin ik denk aan niks en weet dat niks er is. Dat het is binnengeslopen als een dief in de nacht en -ben ik bang- blijft tot het verdwijnt in mijn laatste ademtocht. Of wie weet, nog steeds onopgemerkt, voor altijd blijft.

Of

Vanaf het pad langs de beek zie ik een auto naar ons huis rijden. Er rijdt wel vaker een auto over het doodlopende weggetje, maar deze valt op: een lichtblauwe snoek met wit dak. Hond rent vijftig meter door en kijkt -net als ik- hoe iemand uitstapt, achter de bomen langs naar het huis loopt, weer terugkomt, de brievenbus bekijkt, instapt en de auto keert. Even kijken de koplampen me aan, dan verdwijnt de auto richting hoofdweg. Ik blijf achter met de vraag wie en wat het was en met het besef dat ergens vijf minuten eerder of later zijn een leven kan veranderen. Ik was er niet. Ik was te laat of de auto was te vroeg. Of wellicht waren we allebei precies op tijd en was het de bedoeling van dit alles om mij deze vraag te laten stellen. Of misschien is er geen bedoeling en is al dat denken en zoeken naar betekenis alleen maar tijdverdrijf. Of zelfs dat niet. Het was een fijne wandeling. Hond tikt me aan en vraagt of ik wil spelen.

Flarden

Een klein boerderijtje aan een kanaal, ergens in de buurt van Emmen. Aardige mensen in een knusse, overvolle woonkeuken. Was ik acht of jonger nog? Ik herinner me de thee. Die was slap en ik kreeg extra suiker en heel veel warme melk. Direct na het inschenken, hield de boer z’n kopje scheef en liet wat thee op het schoteltje lopen. ‘Doe ook maar, joh,’ zei hij tegen mij, ‘anders brand je je mond,’ en hij slurpte met veel genoegen het schoteltje leeg. Pa en m’n oom deden het ook. Tante niet, die wachtte keurig tot de thee voldoende afgekoeld was en ze uit het kopje kon drinken. Gespreksflarden. Geruststellend en bevestigend.
‘Wie had dat nou kunnen denken, zo snel al opgepakt.’
‘Dus dat is je oudste.’
‘Later nog meer onderduikers gehad.’
‘Was erg zeker, Duitsland.’

Vier

Ik tel de treden van de trap in blokjes van vier en altijd komt het uit. De hoogste trede op de vierde tel van het vierde blokje. Ergens diep van binnen ben ik verbaasd dat het altijd klopt, alsof zo nu en dan niet ook een trap een trede korter zijn kan of een treetje langer voor een keer. Het is een vaag gevoel van twijfel, een onduidelijk, op de rand van mijn bewustzijn wonend wantrouwen aan alles wat ik voor waar aanneem, waarvan ik als het erop aankomt toch niet helemaal zeker ben. Diep, diep van binnen hou ik er rekening mee dat ooit een keer de dingen die we zeker weten toch iets anders doen, dat dan de trap dertien treden heeft of negentien. Hoewel ik zeker weet dat als het mocht gebeuren, ik het weg zal wuiven als een vergissing mijnerzijds en terwijl ik m’n schouders ophaal tegen mezelf zal zeggen dat ik vast en zeker slordig heb geteld.

Speeltijd

‘Ik praat niet meer tegen je, want je kan niet luisteren.’
De vader klinkt streng. Zijn jonge dochter kijkt verbolgen naar hem op.
‘Ik kan wel luisteren!’
‘Net toen ik wat zei, luisterde je niet en daarvoor ook niet en dáárvoor ook niet.’
‘Maar toen was het speeltijd.’
‘Dat kan wel, maar ik ga toch niks zeggen want je ogen staan alweer op spelen en niet op luisteren.’
Drie keer huppelde ze langs in haar groene prinsessenjurk. Dansende krullen. Zwarte lakschoentjes tiptappend op de vloer van de trein en een vrolijk ‘Zeg Roodkapje, waar ga je henen.’
‘Denk je dat dat lukt, luisteren? Ga eerst maar eens netjes zitten.’

Polen

De trein rijdt achteruit. Ik zit op een bankje en verplaats me volgens de reis-app met 137 kilometer per uur van Rotterdam naar Zwolle. Ik rij achteruit. Met mijn rug naar voren. Mijn achterkant naar wat er komen gaat, mijn blik op wat voorbij is. Tuur uit het raam de avond in. Geen licht, geen maan, geen sterren. Het gevoel dat ik voortbewogen word, lost langzaam op. Ik rij. Dat weet ik zeker. De wind ruist langs het raam, de wielen ratelen soms over een wissel en zo nu en dan deint de wagon als het spoor een kuil bevat. Het voelt alsof de trein de verkeerde kant op rijdt, of ik naar het westen ga, terwijl de speaker herhaaldelijk bevestigt dat ik in de juiste trein zit en die nog steeds naar Zwolle gaat. We rijden naar de verkeerde kant over de IJsselbrug en dan achterstevoren het station in. Ik stap uit en loop de welbekende trappen af naar de fel verlichte tunnel onder de sporen. Als altijd ga ik naar links en zie toegangspoortjes die er nog nooit waren. Kijk om. En loop verrast de andere kant op. De goede. Schud mijn hoofd. Omgepoold.

Waar

Ja, het is waar, want ik geloof het. Ik vind dat het zo is. Dan is het toch ook zo. Dan is het toch niet anders? Daar heb ik echt geen moeite mee, met de waarheid. En als jij het eventjes niet weet, dan help ik je, dan zeg ik je wel wat waar is. En als jij dat dan ook vindt, dan is het extra waar, dan wordt onze waarheid sterker. Want dat wat waar is, wil worden geloofd. Dat verdient het. Dat alle mensen haar omarmen. Nee, niet de vraagterroristen en andere dwarsliggers. Zo mag ik ze toch wel noemen, die lui die de waarheid steeds opnieuw bevragen. Hou daar toch mee op, neem toch eens aan dat wat waar is ook echt waar is, simpelweg de waarheid is. Dus ik blijf het zeggen! Want de waarheid groeit als ik haar herhaal en met jullie hulp wordt ze nog veel groter. Daarom zeg ik het opnieuw. Voor iedereen die zoekt, die een heldere waarheid wil omarmen, bied ik een stem die steeds hetzelfde zegt, die sterk is, geloofwaardig. Die de waarheid spreekt.

Val

In een rattenval van het waterschap fladdert een waterhoentje, ik aarzel niet en laat het beestje vrij. Twee vallen verderop rent een rat zenuwachtig heen en weer achter het gaas en sist venijnig naar me als ik dichterbij kom. Even aarzel ik. Is een rattenleven meer of minder waard dan dat van een waterhoen? Ik laat hem zitten en loop door langs weilanden met schapen, koeien, paarden achter gaas en draad. Het lijkt ze niet te deren dat ze opgesloten zijn, ze vreten vredig van hun gras. De hond in een kennel, die ligt te kluiven op een bot, loop ik ook voorbij en ik zwaai zo nu en dan naar mensen in hun tuin. Vraag me af welke hekken wij niet zien zolang we nog te eten hebben.

Evenwicht

Vroeg nog en half donker. Fris ook als ik uit mijn warme bed stap. Terwijl ik wat kleren aanschiet, kijk ik naar buiten. Een zilverreiger zit naast een grote plas op de akker achter het huis. Even draait hij zijn kop als ik naar evenwicht zoek terwijl ik staand probeer mijn sokken aan te trekken en staart daarna weer voor zich uit. Als ik de woonkamer inloop en in een reflex het licht boven de tafel aandoe, kijkt hij opnieuw mijn kant op, vliegt op om vijftig meter verder weer te landen. Hij staat stil. Zakt wat in elkaar, staart voor zich uit terwijl ik ontbijt maak en op mijn mobiel de ochtendkrant uitlees.

Moet

Ze zeggen dat het nodig is. En, ja, het zou best zo kunnen zijn dat het echt moet, maar je weet het nooit helemaal zeker, hè. Dus het lijkt me dat ik nog even wacht. Even uitstellen kan vast geen kwaad. Ik hoef toch niet een van de eersten te zijn? Want waarom zou ik een van de eersten zijn? Dat is niks voor mij, de eerste zijn. Daar hou ik niet zo van. En je kan toch veel beter kijken wat de anderen doen en je daar dan bij aansluiten. Dan weet je zeker dat je goed zit. Ach, eerlijk gezegd, zo’n vaart zal het toch niet lopen. Ik merk er nog niks van. Dus misschien valt het allemaal wel mee. Ja, het valt allemaal vast wel mee. Ik ben van goede wil hoor, als het er toch op aan zou komen, echt. En ik draag het idee zeker een heel warm hart toe. Maar ik wacht nog heel even tot het allemaal wat duidelijker is. Dan doe ik mee. Echt waar. Dat beloof ik.

Tachtig

Teller op tachtig. Voor me op de autoruit een mier met vleugels. De poten wijd gespreid, de vleugels op het raam gedrukt en ook de weke buik wordt hard tegen het koude autoraam geperst. In een reflex laat ik het gaspedaal los en kijk of het de mier nu beter gaat. Zestig. Vijftig. De poten strekken zich. De vleugels komen langzaam los van het raam en wapperen in de rijwind, rukken aan de pezen en de spieren en knakken -denk ik- haast de mierenrug.
De auto achter me knippert met z’n koplampen dat ik op moet schieten, maar ik laat de wagen rustig verder rollen. Was het beest op weg naar een bloem, naar een vijandig nest, naar een geliefde, naar huis met eten voor een barre winter? Ik besef dat ik een leven heb verstoord, simpel door me te verplaatsen. In een opwelling trap ik op de rem en zet de auto langs de weg. De mier op het raam strekt zich, richt zich op. Hoofdschuddend wandelt het insect het raam af naar beneden.

Pirouette

Een glinstering. Op het wandelpad langs de beek slingert een man. De plastic tassen in zijn linker- en rechterhand weerkaatsen de laagstaande zon. Zijn lange haar en baard verwaaien als hij onverwacht om zijn as draait en om zich heen speurt. Hond rept zich naar de grens van ons terrein en steekt zijn staart omhoog. Zijn blaf schalt over de akkers naar de zwerver honderd meter verderop. De man maakt opnieuw een pirouette en drukt zijn handen strak tegen zijn oren. Ik leg mijn mes en vork neer, roep hond naar binnen en denk als ik de deur dicht doe: we hadden hem te eten kunnen vragen. Het is een gure dag. Het weerbericht geeft regen voor vannacht.