Vakantiekiekje

Ze pakt haar camera, lacht en kijkt vragend. Geroutineerd trek ik mijn fotogezicht, voorhoofd ontspannen, lachrimpeltjes rond mijn ogen, mondhoeken iets omhoog maar net niet zo ver dat mijn oren meeschuiven en een vrolijk gevoel rond mijn maag. Freeze. Klikt u maar.

Koffer

‘Waneer geef ik nou fooi en hoeveel?’ Tijdens een etentje in Manhattan vraag ik het twee tafelgenoten. Gek word ik van het Amerikaanse fooiensysteem, want wanneer wel en wanneer niet en hoeveel dan?
‘Als ze gewoon hun werk doen, geef ik geen fooi,’ zegt de een, ‘daarvoor moeten ze iets extra’s gedaan hebben.’
‘Wat een onzin,’ zegt de ander, ‘horeca en taxi doe ik altijd want die verdienen echt haast niks,’ zegt de ander.
‘Dus de man die in het hotel de deur voor ons openhoudt moet een fooi?’
‘Nee, dat is zijn werk, maar als hij je koffer naar binnen draagt, dan wel.’
‘Die koffer draag ik toch gewoon zelf?’ anwoord ik.
Hij kijkt me verbaasd aan.

So Sorry

‘En nu nog een schitterende foto als herinnering!’ De kaartverkoper duwt ons voor een groen scherm. Protesteren en zeggen dat we die foto echt niet willen, helpt niet. ‘U krijgt er geheid spijt van als u het niet doet, dat risico wilt u toch niet lopen! En u hoeft ze niet te kopen, het is echt vrijblijvend!’
Dus we trekken op verzoek een lachend gezicht, zeggen op commando “cheers” en steken als de fotograaf het vraagt met een big smile onze duimen omhoog.
Het is stil op de boot die ons rond Manhattan vaart, er staat een gure wind en uit de dreigende lucht valt zo nu en dan een felle bui. Vlak voor we vertrekken, komt een dame met een blik van herkenning op ons af. Ze opent een felblauw A4-mapje en daar staan we dan, breedlachend en superamerikaans met onze duimen omhoog, gefotoshopt tegen de achtergrond van Manhattan. We kijken elkaar verbijsterd aan, het is nog erger dan we hadden verwacht. Vijftig dollar slechts voor het hele mapje met acht foto’s en twintig voor alleen die met de opgestoken duimen. Sorry. So Sorry. Maar we kopen ze niet. Even later haal ik een chocoladekoek en een kartonnetje thee voor ons beiden. Achttien dollar sir. Hun wraak is zoet.

Inzicht

Met een druk hoofd schrik ik wakker en weet een briefje naast mijn bed met woorden die ik perse moest onthouden, het inzicht uit mijn droom dat alles zou verklaren. Hardop lees ik: gotam grassie, gotam grassie.

Speeltijd

‘Ik praat niet meer tegen je, want je kan niet luisteren.’
De vader klinkt streng. Zijn jonge dochter kijkt verbolgen naar hem op.
‘Ik kan wel luisteren!’
‘Net toen ik wat zei, luisterde je niet en daarvoor ook niet en dáárvoor ook niet.’
‘Maar toen was het speeltijd.’
‘Dat kan wel, maar ik ga toch niks zeggen want je ogen staan alweer op spelen en niet op luisteren.’
Zijn toon is rustig en bezwerend. Alles onder controle.
Drie keer huppelde ze langs in haar groene prinsessenjurk. Dansende krullen. Zwarte lakschoentjes tiptappend op de vloer van de trein en een vrolijk ‘Zeg Roodkapje, waar ga je henen.’
‘Denk je dat dat lukt, luisteren? Ga eerst maar eens netjes zitten.’

+1

Het lijkt een plukje gras middenop een asfaltweg. Verdwaald. Vastgekleefd aan een paardenhoef en er na verloop van tijd weer afgevallen, weggespat van een trekkerband, losgeweekt uit een profielzool. Mooi contrast, denk ik, dat natte groen van gras en het matte grauw van asfalt. Ik vis mijn mobiel uit mijn broekzak om een foto te maken. Als ik door mijn knieën zak, krijgt het gras meer vorm en er ontpopt zich een structuur, de sprietjes worden poten, vleugels. Het groen krijgt een snufje blauw en mijn ogen die een +1-bril goed zouden verdragen, ontwaren een sprinkhaan die is platgereden. Op het platteland is de dood altijd vlakbij. Ik maak het kiekje en loop door. Alles is anders als je een bril opzet.

Nergens heen

Het leek of ik een paar centimeter was gegroeid. Gisteren nog waren we zo’n beetje even groot. Met een snelle blik inspecteerde ik haar schoenen, maar die zagen er bekend uit, wandelschoenen met normale hakken en een normale zool. Lag het dan aan mij, zou ik vannacht gegroeid zijn en daarom boven haar uitsteken? Terwijl ik het dacht, leek ik vijf centimeter langer te worden.
‘Schat, het lijkt wel of ik groei.’
Weer kwamen mijn ogen wat hoger. Ze bleef staan, en schoot in de lach terwijl ik centimeter voor centimeter omhoog dreef en los raakte van de grond. Onze hond kwam aanrennen en blafte luid naar mijn voeten die inmiddels dertig centimeter boven de grond bungelden.
‘Hoe doe je dat nou weer?’
‘Maar ik doe niks,’ riep ik vertwijfeld, ‘dit gaat vanzelf.’
‘Maak je niet druk, als het vanzelf komt gaat het vast en zeker ook vanzelf wel weer weg.’
Ze gespte de halsband van de hond los en maakte hem vast rond een van mijn enkels die intussen voor haar ogen wiebelden. Met een duidelijke klik haakte ze vervolgens de hondenlijn vast aan de halsband.
‘Zo, nu ga je nergens heen.’
Een windvlaag joeg het herfstblad omhoog en als een ballon zwiepte ik mee de lucht in. De dertig meter lange hondenlijn volledig uitgerold.
Zo dreef ik mee naar huis.
‘Wil je iets eten of drinken?’ vroeg ze, ‘misschien word je er zwaarder van.’
Ik schudde nee, geen trek, ik moet er niet aan denken.
‘Het lijkt me dat ik je maar buiten laat, anders zit je de hele avond tegen het plafond geplakt.’
Ze bond de lijn aan een paaltje en ging samen met de hond naar binnen. Inmiddels is het donker. De lijn heb ik ingekort tot dik twee meter. Veilig voor rondzwervende honden en katten en niet te hoog voor als het straks over is en ik – wie weet – in een keer naar beneden val. Het is een heldere nacht. Soms vier ik de lijn en kijk uit over de maanverlichte daken. Het is fris zonder jas, maar gelukkig is het droog.

Hijgend hert

‘Man, wat zit ik hier verschrikkelijk uit te puffen, voel me net het hijgend hert der jacht ontkomen.’ Een vrouw naast me in de sportschool stoot buiten adem deze woorden uit. Ze ziet me verbaasd naar haar kijken.
‘Ja, dat is een hele gangbare uitdrukking bij ons thuis’, zegt ze, ‘mijn dochter zei het laatst ook toen ze op de fiets bij ons op bezoek kwam. Ik zei nog tegen haar: dat heb je niet van een vreemde. Ik ken het hele lied en ook al die andere oude psalmen en gezangen.’
Ik zeg niks, maar in mijn hoofd repeteer ik de woorden die ik vroeger op de School met den Bijbel uit mijn hoofd moest leren, ’t Hijgend hert der jacht ontkomen / Schreeuwt niet sterker naar ’t genot / Van de frisse waterstromen / Dan mijn ziel verlangt naar God / Ja, mijn ziel dorst naar de Heer… daar stopt het. Het volgende zinnetje ben ik kwijt, weet alleen nog dat het eindigt met ‘ach wanneer.’ Ondertussen trap ik door op het fietsapparaat. Vijftien minuten 130 watt. Ik hijg en puf. Dat ik nog wielrenner word, zit er niet in.

Lang

‘Goedemorgen,’ zegt hij, een lange man op laarzen op het modderige bospad die drie meter achter zijn hond loopt.
‘Goedemorgen,’ zegt zij, een kleine vrouw op laarzen op het modderige bospad die een paar passen achter hem loopt en soms volledig achter hem verdween toen ik ze uit de verte aan zag komen en even niet zeker wist of er een of twee mensen liepen. Het is een lang woord, goedemorgen, onuitspreekbaar lang.
‘Moi,’ groet ik ze terug, maar spreek het langzaam uit zodat het niet kort klinkt. Niet onbeleefd kort klinkt. De honden ruiken aan elkaar. Steken hun staart omhoog.

Kier

Zachtjes tikt de wekker. Waarom duld ik dat geluid toch naast me? Het is een dunne gedachte die niet stoort of zeurt en ik laat hem gaan. Diep in mijn oren ruist een beek. Ik beweeg een been, voel de kilte van een nog onverwarmd deel van de matras en schuif het been weer terug. Wakker worden wil ik niet en ik omzeil de daggedachten die klaar staan om me te bespringen. Terwijl ik van ze wegkijk, draai ik op mijn andere zij en trek het dekbed strak rond nek en hals zodat er geen koude kieren zijn. Dan zoek ik naar de slaap, laat los wat ik nog denk en reis in golfjes naar mijn voeten, voel mezelf verloren raken. Nooit, nee nooit kwam ik er aan.

Watashi wa

De Japanner fietst voorbij, steeds als ik hier mijn hond uitlaat. Hij zingt, altijd zingt hij. De klanken klinken vrolijk, hij steekt zijn hand op, zingt me toe, zingt langs me heen. Ik knik als groet want zingen kan ik niet. Misschien een liedje fluiten dat als vanzelf weer stopt als iemand zoekend opkijkt of op hoor-afstand te komen lijkt. Watashi wa nihongo ga kanō to utaitaidesu. Ik wil wel een Japanner zijn en zingen.

Farewell

Farewell, farewell, het lied sluipt stiekem binnen. Verstopt zich in mijn brein en laat zich daarna horen als ik douche, onderweg ben in de auto, terwijl ik mailtjes typ, zelfs als ik wakker schrik vind ik nog steeds dat lied. Het zeikt en zeurt, slijt gaten in mijn hoofd. Farewell, farewell. Ik google de woorden omdat het nog dagenlang mijn metgezel zal zijn. En nu ik toch de melodie al ken, de woorden voor me zie, moest ik misschien ook maar de akkoorden leren. Farewell, farewell. C G D. En ik zing zachtjes mee.

Oude liefde

Hand in hand stappen twee vijftigers de havenkroeg binnen.
‘Wat wil je eten?’ vraagt hij aan haar.
Het antwoord versta ik niet en mijn blik dwaalt naar buiten. Even later loopt de serveerster naar hun tafel.
‘Twee keer krotetten bruin brood, eet smakelijk,’ klinkt het geroutineerd.
Allebei schuiven ze het bord naar zich toe. Allebei een flesje rivella voor zich, allebei met een rietje.