Papier

Papier, waar is een papiertje? Ik zit aan tafel en moet dringend een zin opschrijven, zo-een die uit een droom stamt en die zo weer is vervlogen. Het enige papier dat ik zie, is de rouwkaart van tante Jos die we vorige week hebben begraven. Ik aarzel. Kan je dat maken, is het niet oneerbiedig naar een overledene, een soort van heiligschennis? Maar dat zinnetje moet geschreven, anders vergeet ik het, dus ik vouw de rouwkaart om zodat de overlijdenstekst naar binnen wijst en krabbel wat ik kwijt moet op de blanco achterkant. De kaart slingert dagenlang als notitieblaadje nog op tafel en verhuist dan mee naar mijn bureau, raakt vol met nog meer woorden die onthouden moeten worden, een telefoonnummer om later terug te bellen, een snelle rekensom. Nu net schreef ik op een stukje dat nog leeg was de boodschappen die ik zometeen ga halen. Ik scheur het lijstje los en stop het in mijn broekzak. De uitgescheurde hap maakt ruimte voor de tekst eronder. Omrand door rafeleinden van gescheurd papier lees ik onverwacht de vrijgekomen regels: Huil niet om mij, mijn lijden is ten einde.
Ik pak een kratje voor alles wat ik kopen moet en doe de achterdeur op slot. De auto start gelukkig vlot. Als altijd knippert het rode lampje van de oliedruk.

Niets

‘Zo moet je niet denken.’ Een man met zijn fiets aan de hand leunt over naar een jonge vrouw in een rolstoel, net als ik voorbij loop. Een oudere vrouw staat zwijgend achter haar.
‘Want het gaat niet om wat je niet meer kunt,’ vervolgt-ie zijn betoog, ‘maar om wat je nog wél kunt, om een positieve levensinstelling.’
Ze is even stil.
‘Ja, maar ik kan helemaal niets meer.’
De jonge vrouw kijkt naar hem op. Haar stem is licht geïrriteerd.
‘Zelfs zitten doet me vreselijk pijn. En elke dag wordt het slechter. Ik wil wel van alles, maar ik kan niks. Niks! En dan moet ik positief zijn?!’
Benieuwd naar hun gezichten, kijk ik om. Ze zien me kijken. Het gesprek valt stil. De sfeer is om te snijden.

Kreun

Op de nog kale akker wandelt op zijn gemak een haas. Tien stappen, dan even zitten, oren gespitst. Opnieuw tien stappen, dan weer even zitten. Achter hem draait een trekker het land op. De haas schrikt en rent zigzaggend vooruit. De trekker lijkt hem na te jagen. Een eenzame haas, achtervolgd door een eenzame trekker. Ik sta voor het raam en zie het aan, weet niet of ik lachen zal of huilen. De trekker verdwijnt richting horizon. De haas is niet meer te zien. In de sloot vlakbij kreunt de eerste kikker dat het voorjaar wordt.

Onthouden

Zo’n dag, dat je half hardop bedenkt dat je een moeder had. Hoewel er maar weinig aan haar denken doet. Vreemde theedoeken tussen de stapel die al hoog genoeg was, een stofzuiger die ongebruikt op zolder staat, een Ikeakastje in de badkamer waar we jarenlang ook zonder konden. Uit haar nalatenschap kwamen vooral dingen van mijn vader die jaren eerder al gestorven is. Oude tekeningen, schetsjes, stillevens op spaanplaat, een gouden CNV-speldje voor 50 jaar trouwe dienst en zowaar de oude boekjes van de BB met wenken voor de bescherming van uzelf en uw gezin. Met die boekjes in de hand inspecteerde hij de kelder en wees aan wie in nood op welke plaats moest zitten. Het noodrantsoen met harde biscuits, bloem, suiker, kaarsen en lucifers stond op de bovenste plank in de slaapkamerkast, zelfs als ik op een stoel stond, kon ik er niet bij. De foto die ik van hem maakte op hun 25-jarig huwelijksfeest en die sinds zijn sterven bij haar op de schoorsteen stond, staat nu op de luidspreker vlak naast mijn bureau. Soms valt mijn blik op hem. Niet eerder was hij zo lang zo dichtbij. Zo’n dag. Dat je je afvraagt hoe een mens onthouden wordt en of het wel iets uitmaakt.

Prikkel

Knoop mijn schoenen dicht. Als ik ga staan, voel ik een steentje in de linker. Ik laat het zitten en ben me de hele dag bewust van elke pas.

Onbalans

‘Mag ik erlangs?’ vraagt het meisje dat naast hem zit terwijl ze alvast haar jas dichtritst.
Hij schudt zijn hoofd en verroert zich niet.
‘Ik moet er hier uit, mag ik er even langs.’
Ze staat half op en buigt ietwat over hem heen.
‘Nee. Nee, dat kan niet, want dat verstoort de balans in de coupé!’
Hij blijft zitten en perst zijn knieën tegen de stoelleuning voor hem zodat ze niet passeren kan.
Ze kijkt om zich heen of er iemand helpen wil. Maar alle passagiers zijn verdiept in hun mobiel.
‘Ik moet eruit,’ zegt ze dringend, ‘echt, hier moet ik eruit.’
Alsof zoiets zeggen zin heeft. Onbalans voorkomen gaat altijd voor. Want je weet niet wat er gebeurt als de symmetrie in de coupé wordt verstoord. Dan ziet hij uit een ooghoek dat er aan de overkant van het gangpad iemand opstaat en naar de open treindeur loopt. Direct trekt hij zijn knieën terug en maakt ruimte. Ze wring zich langs hem heen en rent de trein uit. Hij schuift door naar haar plek aan het raam. Ze staat op het perron en kijkt schielijk weg als ze hem ziet.

Tram

Fijne kamer, wel zo nu en dan een tram. Dat zei de recensie over dit hotel. Ik lig wakker. Een tram. Hij klinkt meer als een trein met een rustig kadoeng kadoeng, als een rolkoffer over een klinkerweg. Dan even niks. Wat stemmen in de verte. Weer een tram. Van de andere kant denk ik. Een zwaar grommen en het knarsen van de wielen in de rails. Bij het station, honderd meter verderop, stopt de tram. Dan snel optrekken en weer stilstaan voor de stoplichten op het plein, weer een korte sprint, gevolgd door een stop bij de eerste halte, direct onder het balkon van de hotelkamer. Het is al laat. Hoe laat weet ik niet. Of kan je de tijd uitrekenen met trams? Achttien heen en negentien terug. Met als tussenpoos nachtelijke stemmen en een aapgeluid uit het dierenparkje aan de overkant.

Weeromstuit

Een kale minister op tv. Terwijl hij rustig zit te praten landt er een vlieg op zijn hoofd. Even zit de vlieg stil, dan loopt hij brutaal heen en weer over de schedel van de minister die onverstoorbaar doorpraat. Wat een beheersing, denk ik en veeg van de weeromstuit over mijn eigen hoofd. Die vlieg moet ontzettend kriebelen, dat kan niet anders. Nog steeds laat de minister de wandelende vlieg met rust. Dan staat hij op en vertrekt. De vlieg blijft achter op het scherm.

Duitsland-Denemarken

‘Muts af, toon respect!’ Het klinkt als een bevel. De priester kijkt me aan. Zijn adem dampt in de koude lucht en als ik de muts van mijn hoofd gris, voel ik de kilte toeslaan. De priester waggelt weg in zijn dikke rode winterjas. Ik kijk hem na en zie bontgevoerde laarzen met spekzolen onder zijn rok uitkomen. Gekleed op kou. Niet zoals ik in een te dunne jas en nu met een bloot, kaal hoofd in deze ijzig koude, tochtige kathedraal. Een paar vrouwen met hoofddoek om lopen me tegemoet. Ik nies en zet respectvol mijn muts weer op. Ziek worden van een kathedraalbezoek kan niet de bedoeling zijn. Een tweede priester in eenzelfde rode winterjas en met een dikke rode sjaal om zijn nek wijst op mijn hoofd, muts af! Ik zet hem af en besluit de kathedraal te verlaten. Langzaam schuifelend tussen andere bezoekers volg ik de tochtstroom naar de deur. In het portaal van de Kölner Dom zet ik mijn muts weer op. De vrieskou buiten voelt als een opluchting.

De deur van de kathedraal Sint Ansgar valt geruisloos achter me dicht. Het is er warm en behaaglijk, druk ook met mensen in gangpaden en in de banken. Blootshoofds alle mannen. Natuurlijk zet ik mijn muts af. Steek een kaarsje aan en bewonder het prachtig beschilderde dakgewelf. Zo hoog. Zo groot. Zo heerlijk warm. De Deense god bevalt me stukken beter.

Smaakje

‘Koffie alsjeblieft.’
‘Welk smaakje wilt u, kardemom, geitenkaas, bramen of rundvlees?’
‘Heb je niet gewoon koffie?’
‘Nee, dit zijn onze smaakjes. Welke mag ik u brengen?’
‘Heb je dan misschien thee?’
‘Jazeker. Dan hebben we de smaakjes ginseng, bloedworst, zeezout en natte hond.’
‘Niet gewoon thee? Doe me dan maar een glas water.’
‘Met bubbels?’

Kraak

Gek is dat met chips. Als ik er vijf eet, kan ik niet stoppen en moet de zak leeg. Daarna is het schransen over. Nee, ik speur niet in alle kasten naar vergeten zakken, ren niet naar de winkel voor meer, spring niet in de auto op zoek naar een benzinestation dat 24 uur open is. Nee, ik stop gewoon met eten, vind het best en ga wat anders doen. Raar dat dat na vijf chipjes niet kan. De kraakbehoefte pas vervuld na een volle zak. Hoeveel chips dat zijn? Ik ga tellen …

Winterdag

Sneeuw knispert onder mijn voeten. Pas na pas hoor ik de zolen van mijn schoenen neerkomen en wegzakken. Hoor hoe mijn broek ruist langs mijn knieën, langs mijn dijen. Mijn jas maakt een geluid alsof iemand met grote, regelmatige bewegingen zijn stoep schoonveegt. Zo nu en dan haal ik mijn neus op. Wat een herrie maak ik in mijn eentje, denk ik, en verras mezelf door stil te blijven staan. Mijn geluiden lijken door te wandelen en langzaam te vervagen. Even lijkt het stil. Dan hoor ik in mijn hoofd gedachten kletsen over doorlopen, over kou, over een warme kachel, tot ik ook die laat gaan. Dan is er niets. Of toch. Een kraai die krast. Een zuchtje wind dat in mijn oren fluistert en na verloop van tijd verandert in zacht gezongen koormuziek.

Dwarrel

De late koffie houdt me wakker. Of slaap ik toch? Van een afstand zie ik hoe druk mijn hoofd het heeft. Een stuiterbal in een kamer vol rennende kinderen. Een oude radio waarmee iemand een zender zoekt en in het zoeken de halve wereld moet passeren. Flarden muziek, halve zinnen, vreemde klanken, ruis, morse-tekens. Een gedachte kijkt op, zegt zijn naam en duikt weer onder. Een zin uit een gesprek eerder vandaag, de oude tekst gesproken door een nieuwe stem. De koele hand van iemand die net binnenkomt. Een bal ontploft en de katten die eruit tevoorschijn springen, jaag ik naar buiten. Dan onderweg, de sneeuw die op mij loert en elke vlok diep in mijn ogen stuurt. Een uil dwarrelt voorbij, de autolampen schijnen wit onder zijn vleugels.

Woord

De wekker gaat. Ik zet hem uit en zwaai mijn benen buiten het bed. Een snelle douche, dan het gisteravond laat al klaargezette ontbijt. Het smaakt me niet. Ook de ochtendkoffie is bitter en wrang. Bozig ben ik, sacherijnig. Een reden weet ik niet. De stoel in de auto voelt klam en koud. Mopperend rij ik de oprit af. Dit wordt zo niks, denk ik bij mezelf en besluit dit grauw bestaan wat vrolijker te maken. Zeg hardop dat het in de auto lekker fris is, tintelfris en voel een voorzichtig lachje om mijn mond als ik merk hoe een simpel woord de wereld anders maken kan.