Zong

‘Ik hoor prachtig zingen,’ zegt een jonge vrouw.
Ze leunt tegen een betaalautomaat in de smalle straat en kijkt me onbevangen aan.
‘Echt prachtig zingen.’
Ik spits mijn oren, maar het is stil om me heen. Alleen mijn eigen stem galmt door mijn hoofd.
‘Ik hoor niks,’ zeg ik en wil verder lopen.
‘Van je vader.’
Het klopt, die zong, maar hij is dood. Ik spreek de zin niet uit maar zie de woorden naar haar reiken.
‘Ja, die is dood,’ zegt ze, ‘dus nou doe jij het. Ooit zongen jullie heel mooi samen, het was met kerst.’
Haar hond die op haar arm zit, lacht naar me. Maar als ik beter kijk, is het een kat.
Net als ik haar wil vragen wie ze is, voel ik achter me haar man.
‘Ga je mee?’ vraagt hij en ze knikt.
De sfeer vervliegt, mijn vraag lost op.
Terwijl ik in gedachten het gesprek herhaal en inbrand in mijn brein, word ik langzaam wakker. En bang de woorden te vergeten, sta ik op, schiet wat kleren aan en noteer snel alles wat ik me herinner. Ik lees het nog eens terug en vraag me af of er een boodschap is. Of er misschien een boodschap was. Mijn ogen dwalen naar de klok. Zes uur tien. Het is nog veel te vroeg.