Wilkommen im Draussen

Dat belooft een spetterend uitzicht! Op een heuveltop staat een hoge uitkijktoren, vastgeplakt aan een kroeg die er gezellig uitziet. Als ik naar trap loop, glijdt onverwacht een liftdeur uitnodigend open. De avondzon verlicht de twee bedieningsknoppen, BG en etage 6.
‘Naar zes dan maar?’ Een zoem, een snelle stijging en paar seconden later schuiven de deuren open op de zesde etage.
‘Wat een uitzicht!’ Ze loopt naar de railing en richt haar fototoestel naar de verte. Ik zet wat aarzelend een eerste pas en stop dan abrupt. De vloer van metalen roosters laat daglicht door en de grond diep onder mij trekt mijn blik onweerstaanbaar naar beneden. Het staal van de vloer trilt bij elke hartslag en de toren schudt zachtjes heen en weer bij ieder zuchtje wind. Ik scheur mijn ogen los van de diepte en kijk recht vooruit naar de zachtglooiende heuvels. Maar nog steeds voel ik onder me dat gat van zes etages diep. Lachende stemmen en achter me komt een jong stel giechelend de trap omhoog. Hij is als eerste boven, spreidt zijn armen naar het uitzicht, doet drie passen naar voren, kijkt naar beneden en bevriest.
‘Kijk die vloer,’ gilt hij met hoge stem en zet pardoes drie stappen terug. Zijn vriendin is inmiddels ook boven. Even kijkt ze door het rooster naar beneden, dan vermant ze zich en loopt pas voor pas, steeds met een adempauze tussendoor, naar de lage railing, zes meter verderop.
‘Gewoon niet naar beneden kijken, dan gaat het wel,’ roept ze naar achteren. Hij schuifelt naar voren. Als vanzelf zet ik ook een pas. De stalen toren trilt. Ik tril mee. Hij blijft staan. Ik doe een stapje terug. En nog een en nog een. Net voor ik bij de lift ben, sluiten de deuren. Leeg zoemt de lift naar beneden. De toren trilt.