Vrij

‘Er staat een hek rond de wei, dus mij maakt het niet uit wat ze doen, als ze maar vreten en gezond zijn als ik ze laat slachten. En of ze nou van hiphop houden of van klassiek, rechts denken of links, communist zijn of fascist, ze doen maar.’
Zei de boer dat, was het god, een stem in mij?
‘Dus eigenlijk zijn ze vrij.’
‘Dat zijn ze, ja, dat zijn ze.’
Zijn lach blies als een stormwind om me heen en joeg het kippenvel op mijn armen. Want wat, dacht ik, als deze wereld onze weide is. Dat het niet mijn vlees is waarop wordt gewacht, maar dat iets mijn ziel uitvreet zodra ik sterf. En dat ik dan beroofd van elke schat tot stof verwaai, oplos in een leeg en koud heelal.
Als ik aan zoiets denk, ben ik bang. Ja, dat zei ik. Bang.