Uitkijkpost

Ik rij het kunstmatige heuveltje op en parkeer tussen twee auto’s. Voor me een hek, een spoorlijn, een sloot en weer een hek. Daarachter een lichtgroene vlakte met kaalgevreten boomstammen en hier en daar een flinke poel water. In de verte graast een groepje paarden, een kraai vliegt op. Mijn blik speurt over het terrein, maar blijft nergens hangen. Ik kijk opzij. Links van me een Golf met twee jongens die druk bezig zijn met hun mobiel. Rechts een Volvo met man en een vrouw. Zij staart in de verte. Hij slaapt achter het stuur. Op de vlakte lopen twee herten langzaam langs de afrastering. Ik kijk ze na en voel de ondergaande zon warm op mijn gezicht. Een trein rijdt langs richting Lelystad, een blauw-gele sprinter. ‘Oh ja, die hebben geen toilet,’ denk ik half hardop. In mijn rugzak vind ik een banaan en een appel. Ik kies voor de banaan. De appel is voor straks. Door het open raam hoor ik kinderen gillen. Een vader en twee peuters rennen langs en rollen lachend de heuvel af. Dan is het heel lang stil. De banaan is op en ik hap toch ook maar in de appel. Van ver komen drie runderen aangeslenterd. In zichzelf gekeerd sjokken ze schijnbaar doelgericht naar nergens. De vlakte is weer leeg. Ik kijk opzij. De jongens naast me bewegen hun duimen razendsnel over het toetsenbord. Aan de andere kant nog steeds een man die slaapt. Zij staart in de verte. Ik speur de vlakte nog eens af. Kaal. Leeg. Mager. Schamel. Armetierig. Andere woorden heb ik niet. Van rechts komt de sprinter naar Almere aan. De trein ruist langs, net zo leeg als ik.