Steek

Op de linkerbaan schieten snellere auto’s me voorbij. Het is een late, donkere avond. Honderd rij ik, tijd genoeg. Van links naar rechts beweegt er iets over de voorruit. ‘Tjonge, die heeft sterke poten,’ zeg ik half hardop, ‘want de druk van de wind moet gigantisch zijn.’ Losjes wandelt het insect door. Een spin? Een spin. Kan dat? En dan op een helder moment snap ik het. Het beest zit aan de binnenkant. Ik zet de radio aan en laat mijn gedachten gaan waarheen ze willen. Dan kriebelt er iets in mijn linker broekspijp achter mijn knie. Ik buig half onder het stuur door en wrijf met volle hand over de stugge stof van mijn broek. Een felle steek. Ik vloek. Parkeerplaats. Deur open. Riem los. Broek los. Broek uit. In mijn onderbroek sta ik in het licht van mijn koplampen en schud mijn broek leeg. Wrijf wantrouwig over mijn huid. Strek mijn been half naar achteren en zoek over mijn schouder naar de beet. Een rode bult. Geen beest te zien.