Roze vinger

Ik zuig het landschap op. Eerst door het raam aan deze kant van de trein, daarna door het raam aan de andere kant. Dan weer door dit raam. Door dat. Dit. Dat. Dit. Dat. Ik zie Echten dat ik ken, Koekange met zijn rare naam. Dan de scherpe bocht naar links.
‘Meppel, we naderen station Meppel,’ zegt de speaker. De trein remt langzaam af en in een reflex kijk ik naar voren, naar de wand van de coupé. Meestal zit daar een spiegel, een foto van een poort in Zwolle of een gracht in Amersfoort. Maar in deze trein hangt er iets geks. Een raar plaatje. Een roze vinger wijst schuin naar beneden en een groene grasspriet wijst schuin omhoog. Waar het gras de vinger raakt, zit een diepe snee. Het plaatje plakt en zuigt en trekt. Ik kan mijn hoofd niet meer bewegen, krijg mijn ogen niet meer vrij. Het kan niet wat ik zie. Het is niet echt. Het bestaat niet.
Ik laat mijn lollie vallen en wijs met trillende vinger naar het enge ding
‘Pap, kijk daar, wat is dat?’
Mijn vader kijkt om.
Hij schuift de bank uit, buigt voorover en tast naar zijn leesbril. Van achter zijn rug kijk ik mee.
‘Snijden aan gras,’ leest Pa hardop voor.
Hij draait zich om en duwt mij terug op de bank.
‘Ga even zitten joh, het is druk op het perron, straks is je plekje nog weg.’
Ik ga zitten, maar mijn ogen blijven vastgehaakt aan dat gekke plaatje.
Als de trein allang weer rijdt, herinner ik me ineens mijn lollie. Ik wurm me tussen vier paar benen door naar het gangpad, pak de lollie van de grond, veeg het ergste vuil eraf en stop hem in mijn mond. Terug op mijn plek, tuur ik stilletjes naar buiten. Mijn vingers reflecteren in het raam, met op de achtergrond het gevaarlijk groen van gras.