Maria

De zijdeur kraakt als ik hem dicht doen. De kerk is duister en het ruikt er koud en oud. Verspreid door de kerk zitten drie gelovigen die bidden of mediteren of gevlucht zijn voor de zinderende hitte buiten. Ik kijk op en mijn ogen focussen als vanzelf op het enige lichtpunt in de verder onverlichte kerk, Jezus aan het kruis, aan de muur hoog boven het altaar. In de galerijen staan onverlichte beelden van heiligen. Die vrouw met dat kind op haar arm, dat zal Maria zijn. Katholiek ben ik niet, maar een kerk loop ik vrijwel altijd in en vaak steek ik een kaarsje aan. Ik hou van het meditatieve moment dat dit met zich meebrengt. Even sta ik dan stil bij de kwetsbaarheid van het leven, bij wie er overleden zijn. Langs de donkere houten alkoven loop ik naar Maria. Er branden drie kaarsjes. Bij alle andere heiligen is het helemaal donker. Uit gewoonte zoek ik links en rechts naast het altaar naar de voorraad kaarsen en de lucifers. Nee, niks. Dan valt mijn oog op een gleuf met de afbeelding van een 50 centstuk erboven. Nu ik beter kijk, zie ik helemaal geen kaarsen of waxinelichtjes, er branden drie lampjes. Keurige, gelijkvormige, statische lampjes. De flakkerende kaars die doet denken aan een leven dat toppen en dalen kent, ingeruild voor een elektrisch lampje dat voor 50 cent een kwartier lang brandt. Ik draai me om en loop naar de uitgang. Een smalle straal daglicht valt verblindend fel naar binnen door de boogramen boven de deur. Alsof God zelf meekijkt, net zo verbaasd als ik.