Lijn

Wind golft door de toppen van verdwaalde bomen. Ik droom van water, rusteloze vlaktes, witte vlokken schuim. Een adder op mijn pad. Ooit geloofde ik dat adders kunnen rollen, de staart gretig vastgebeten door de bek en dan rollen, rollen als een wiel, sneller dan ik ooit zou kunnen rennen, om toe te slaan op een stille plek, te ver van huis om mijn gebeten arm of been te kunnen redden. De vlakte is te groot, geen houvast voor mijn blik die zoekt naar wat zich ook maar voor wil doen, verloren in de ruimte speurt naar een richting om te gaan. Een torenklok slaat een ongeteld getal, de spits als een vingerwijzing op de horizon. Ik zucht, pak mijn mobiel en open Google Maps. In een rechte lijn is het 2800 meter naar de auto.