Hondenwacht 36 (Slot) – Mensenvlees

foto: Peter Veen
De man naast me is veel te dik voor de Transaviastoel. Mijn rechterschouder drukt in zijn weke vlees en bij elke beweging van mijn arm prikt mijn elleboog in de vetrollen rond zijn ribben. Geïrriteerd kijkt hij opzij en zucht dan diep.

Vier uur lang tot elkaar veroordeeld. Ik zit klem tussen hem en het raam, hij zit klem tussen mij en zijn vrouw. Zijn vrouw hoest elke paar minuten in een vast patroon van vijf korte kuchjes en dan met open mond een rocheltje.

Nog voor we opstijgen bestuderen ze de menukaart en overleggen wat de vorige keer ook alweer zo lekker was. Tapas. Het was de tapas. Als de purser langskomt met zijn etenskar, bestellen ze geroutineerd een vlees- en kaasselectie en een ice-tea. Hij hijgt. Hij hoest. Hij rochelt. Zij hijgt. Zij hoest. Zij rochelt. Hij scheurt de tapasverpakking open. De geur van chorizo is allesoverheersend.

Ik onderdruk een vloek en kijk dan naar mezelf. Doorgezwete oksels, een wekenlang gedragen broek, oude leren laarzen met stalen neuzen en stinkende Portugese schapenkaas in de rugzak tussen mijn voeten. Vast en zeker ben ik voor mijn buren ook een bron van stank en irritatie. Mijn zitbotjes doen pijn en ik voel me ongemakkelijk.

Het vliegtuig is bomvol, benauwd, vol herrie, en ik heb genoeg van dat warme mensenvlees naast me dat ik niet vermijden kan. Ik doe muziekdopjes in mijn oren, met een actief ruisfilter moeten ze de helft van de herrie tegenhouden. De muziek laat ik uit. Even zien of ik kan slapen. Dan beweegt mijn buurman weer en drukt zijn dijbeen warm en zacht tegen het mijne.

Net als ik overweeg om hem een por te geven, klinkt uit de speaker dat we vanaf nu de daling inzetten naar Schiphol. Het vliegtuig schudt even heftig als we de wolken in duiken. Achter me ruik ik kots. Nog twintig minuten.