Buitenaards

Over de vloer waait een pluisje. Zou dat een alien zijn, vraag ik me af, een nog niet herkende vertegenwoordiger van buitenaards leven? Ik kijk extra goed naar hem en luister of ik iets hoor, probeer me open te stellen voor een telepatisch contact. Een vreemde levensvorm lijkt het me. Hoe ik daar in godsnaam mee communiceren moet? Maar hij blijft in mijn buurt rondwaaien en lijkt zich soms tot mij te richten. De hond blaft en ik kijk naar buiten wat er aan de hand is. Zet thee. Rommel wat in de keuken. Stofzuig. En als het huis wat schoner is, herinner ik me ineens de alien. Ik zoek hem, maar er is niks meer te vinden. Geen pluis op de vloer. Ik richt mijn blik naar buiten, naar het heelal en zend een korte boodschap. ‘Sorry, even niet opgelet. Als het er echt een was, stuur je dan een nieuwe?’ En vind mezelf ineens aanmatigend en arrogant. Stel je voor dat het hen enorm veel moeite heeft gekost die pluis hierheen te krijgen, dat ze hun voorraaden ervoor hebben uitgeput, al hun kennis hebben ingezet, om dan uiteindelijk niet-herkend in een stofzuigerzak te eindigen. Even weet ik niet meer wat te doen. Dan hoor ik een vertrouwde claxon. Ze is weer thuis met boodschappen voor een week. Ik loop naar buiten. Eerst maar eens helpen sjouwen.