Hondenwacht 27 – Eelt en zout

tekening: Juul Kraijer

Ze worden anders. Mijn soepele, fragiele tekstschrijvershanden veranderen. Stijf zijn ze als ik opsta. Stokjes. Takjes, die onbuigbaar aan een boom hun functie zouden hebben, maar mij verrast mijn handen laten inspecteren.

Dikker lijken ze dan vroeger, stijver en op een rare manier gevoeliger. Het schuren van de natte vallen, touwen, meerlijnen zorgt voor een groeiend laagje eelt dat er onder een lamp wat doffig uitziet. En ze zijn zout. Steeds als mijn lippen per ongeluk mijn handen raken, proef ik zout. Een zweem als ik al een poosje binnen ben, onverwacht heftig als ik buiten een lijn opschiet die nat is van het buiswater. Handen wassen helpt niet, dus ik laat het maar zo. Zonde van het schaarse zoete water en binnen tien minuten is het zout weer terug.

Mijn haar voel zachter nu, met deze vingers, en heeft een nieuwe structuur. Niet meer stug als uitgegroeide stekels, maar zijdezacht en ongrijpbaar vlassig als van een baby of een oude moeder. Gevoeliger voor de tegendruk van wat hard is. Ongevoeliger voor de zachte huid van hond en vrouw.

(Meer Hondenwachten in combinatie met kunst? Check http://zeilhelden.nl/?s=hondenwacht)

Zong

‘Ik hoor prachtig zingen,’ zegt een jonge vrouw.
Ze leunt tegen een betaalautomaat in de smalle straat en kijkt me onbevangen aan.
‘Echt prachtig zingen.’
Ik spits mijn oren, maar het is stil om me heen. Alleen mijn eigen stem galmt door mijn hoofd.
‘Ik hoor niks,’ zeg ik en wil verder lopen.
‘Van je vader.’
Het klopt, die zong, maar hij is dood. Ik spreek de zin niet uit maar zie de woorden naar haar reiken.
‘Ja, die is dood,’ zegt ze, ‘dus nou doe jij het. Ooit zongen jullie heel mooi samen, het was met kerst.’
Haar hond die op haar arm zit, lacht naar me. Maar als ik beter kijk, is het een kat.
Net als ik haar wil vragen wie ze is, voel ik achter me haar man.
‘Ga je mee?’ vraagt hij en ze knikt.
De sfeer vervliegt, mijn vraag lost op.
Terwijl ik in gedachten het gesprek herhaal en inbrand in mijn brein, word ik langzaam wakker. En bang de woorden te vergeten, sta ik op, schiet wat kleren aan en noteer snel alles wat ik me herinner. Ik lees het nog eens terug en vraag me af of er een boodschap is. Of er misschien een boodschap was. Mijn ogen dwalen naar de klok. Zes uur tien. Het is nog veel te vroeg.

Vrij

‘Er staat een hek rond de wei, dus mij maakt het niet uit wat ze doen, als ze maar vreten en gezond zijn als ik ze laat slachten. En of ze nou van hiphop houden of van klassiek, rechts denken of links, communist zijn of fascist, ze doen maar.’
Zei de boer dat, was het god, een stem in mij?
‘Dus eigenlijk zijn ze vrij.’
‘Dat zijn ze, ja, dat zijn ze.’
Zijn lach blies als een stormwind om me heen en joeg het kippenvel op mijn armen. Want wat, dacht ik, als deze wereld onze weide is. Dat het niet mijn vlees is waarop wordt gewacht, maar dat iets mijn ziel uitvreet zodra ik sterf. En dat ik dan beroofd van elke schat tot stof verwaai, oplos in een leeg en koud heelal.
Als ik aan zoiets denk, ben ik bang. Ja, dat zei ik. Bang.

Hap

De appel waar je net een hap van neemt, maar aan de weerstand van de schil voelt dat er iets niet klopt, dat je dan kijkt en een plakkertje ontdekt dat met minuscule lettertjes probeert een boodschap te vertellen die je niet lezen kunt, maar die waarschijnlijk zegt van welk merk die appel is, waarna je het ding eraf peutert dat dan aan je vingers plakken blijft zodat, als je het aan de rand van de vuilnisbak hebt afschud, je eerst je handen en dan toch ook de appel wast om alle resten plaksel kwijt te zijn voordat je extra attent opnieuw je tanden in de appel zet.

Dag

Zo’n dag, dat je half hardop bedenkt dat je een moeder had. Hoewel er maar weinig aan haar denken doet. Vreemde theedoeken tussen de stapel die al hoog genoeg was, een stofzuiger die ongebruikt op zolder staat, een ikea kastje in de badkamer waar we jarenlang ook zonder konden. Uit haar nalatenschap kwamen vooral dingen van mijn vader die jaren eerder al gestorven is. Oude tekeningen, schetsjes, stillevens op spaanplaat, een gouden CNV-speldje voor 50 jaar trouwe dienst en zowaar de oude boekjes van de BB met wenken voor de bescherming van uzelf en uw gezin. Met die boekjes in de hand inspecteerde hij de kelder en wees aan wie in nood op welke plaats moest zitten. Het noodrantsoen met harde biscuits, bloem, suiker, kaarsen en lucifers stond op de bovenste plank in de slaapkamerkast, zelfs als ik op een stoel stond, kon ik er niet bij. De foto die ik van hem maakte op hun 25-jarig huwelijksfeest en die sinds zijn sterven bij haar op de schoorsteen stond, staat nu op de luidspreker vlak naast mijn bureau. Soms valt mijn blik op hem. Niet eerder was hij zo lang zo dichtbij. Zo’n dag. Dat je je afvraagt hoe een mens onthouden wordt en of het wel iets uitmaakt.

Gin

Op de trottoirs tussen de parkeerplaats en het terras waar ik naartoe wandel, staan tientallen uithangborden. Vandaag schreeuwen ze allemaal om aandacht. Omdat ik vroeg ben voor mijn afspraak, geef ik toe en lees de slogans stuk voor stuk.
Hier het lekkerste broodje gezond.
Herenkleding in grote maten.
De leukste dansschool van de stad.
Yoga voor jou!
Speciale aanbieding: gin & tonic.
Ik proef de uitnodigende zinnen, bedenk er een plaatje bij, speel er even mee en gooi ze dan weer weg. Tenminste dat denk ik.
Op het terras vind ik een lekker plekje, half in de schaduw en met goed uitzicht op alles wat er over de markt flaneert. Net als ik in de verte mijn vrouw aan zie komen, staat de serveerster naast me.
‘Doe maar een gin & tonic,’ zeg ik. En hoor stomverbaasd hoe vreemd mijn woorden klinken. Ik lust helemaal geen alcohol, hoe kom ik er dan bij om gin & tonic te bestellen?
‘Geen thee zoals anders?’ vraagt ze.
‘Ach ja, natuurlijk, thee graag.’
‘De darjeeling?’
‘Lijkt me heerlijk.’

Hap

Heerlijk dit broodje. Eerst eet ik de randen weg en werk mezelf dan lekker langzaam naar het meer dan smakelijke hart, de allerlaatste hap die op voorhand al blij maakt en doet watertanden. Ik zit buiten op het terras en de zon schijnt dat het een lieve lust is. Wespen, hoornaars, muggen zijn druk aan het werk. De laatste hap ligt inmiddels tussen duim en wijsvinger. Ik doe mijn mond wijd open en schuif hem langzaam naar binnen. Een bromvlieg zoemt langs en op hetzelfde moment beweegt er iets aan de onderste rand van mijn blikveld. Ik sluit mijn mond en omvat het broodje. Dan twijfel ik even, want is die vlieg nou mee naar binnen? Uitspugen en kijken is geen optie. Zonde van al die moeite, van zoveel voorpret. Voorzichtig en attent op onverwachte kriebels kauw ik het hapje fijn en slik het door. Dan opgelucht een zucht. Het smaakt prima. Zelfs voor een broodje bromvlieg.

Schuin

Soms hij boven, soms zij. Steeds elkaar omklemd en diep in elkaar verzonken. Ze liggen op de met gras begroeide schuine kant van de IJsselmeerdijk. Hij in de veertig en zij ook zoiets. Hoe lang ze er al liggen, geen idee, maar na een half uurtje is het ineens voorbij. Ze staan op en lopen met de armen om elkaars middel naar een rijtje geparkeerde auto’s, zoenen nog even en slaan elkaar dan speels op de billen. Zij loopt naar een Mercedes-coupé, schikt haar kleren, lacht breed en scheurt binnen een paar tellen weg, rechtsaf richting Almere. Hij draait zich om, opent de kofferbak van zijn Volvo, trekt zijn t-shirt uit – hij is flink te dik met kleine tietjes – spuit wat deo onder zijn oksels en op zijn borst en doet een wit overhemd aan. Dan wisselt hij van schoenen, sluit de achterklep en grabbelt via het openstaande voorportier onder het dashboard. Als hij weer rechtop komt, zie ik tandpasta en een tandenborstel in zijn hand. Zorgvuldig poetst hij zijn tanden, gorgelt met spa blauw, spuugt het uit op de grond en spoelt het witte plakkaat weg met de rest van het water. Hij stapt in. Zijn handen ordenen zijn haar met zo nu en dan een check in de binnenspiegel. Het portier slaat dicht. Hij kijkt op zijn horloge, pakt zijn mobiel en al bellend rijdt hij weg, linksaf richting Lelystad.