Lijn

Wind golft door de toppen van verdwaalde bomen. Ik droom van water, rusteloze vlaktes, witte vlokken schuim. Een adder op mijn pad. Ooit geloofde ik dat adders kunnen rollen, de staart gretig vastgebeten door de bek en dan rollen, rollen als een wiel, sneller dan ik ooit zou kunnen rennen, om toe te slaan op een stille plek, te ver van huis om mijn gebeten arm of been te kunnen redden. De vlakte is te groot, geen houvast voor mijn blik die zoekt naar wat zich ook maar voor wil doen, verloren in de ruimte speurt naar een richting om te gaan. Een torenklok slaat een ongeteld getal, de spits als een vingerwijzing op de horizon. Ik zucht, pak mijn mobiel en open Google Maps. In een rechte lijn is het 2800 meter naar de auto.

Sorry

Pasje mee en even langs de computerwinkel om die aanschaf rond te maken, want eigenlijk koop ik het liefst lokaal, bij echte mensen en hoewel dit ook een filiaal is van een grote keten heeft het toch mijn voorkeur. Het is rustig in de winkel. De buitendeuren staan open en de airco blaast koele lucht door de ruimte. Doelgericht loop ik naar de juiste afdeling. Tussen de computers en de notebooks staat een verkoper, duidelijk herkenbaar aan zijn rode bedrijfsshirt. ‘Kun je me misschien even helpen?’ Hij spuit wat glassex op een schermpje en poetst dat uit met een velletje van zijn keukenrol. ‘Sorry, ik ben bezig, maar misschien kan een collega u wel helpen.’
Hij roept naar een verkoopster die met stevige pas op weg lijkt naar het magazijn. Ze houdt even in en kijkt me vragend aan. Al halverwege mijn vraag schiet ze in de lach. ‘Daar heb ik helemaal geen verstand van,’ zegt ze. En terwijl ze zich omdraait voegt ze eraan toe: ‘Ik zou ze alledrie nemen en wat niet past gewoon terugbrengen.’
Ze wacht mijn reactie niet af en verdwijnt door de magazijndeuren. Ik lees de informatiekaartjes bij de uitgestalde producten, maar ze geven geen antwoord op mijn vraag. Verderop in de winkel zijn twee mannen serieus in gesprek. Hun blauwe overhemd met naambordje duidt op een managersfunctie. Verder is er alleen de verkoper die nog steeds staat te poetsen. Zal ik hem nog een keer aanspreken? Of wachten tot die dame terugkomt die het ook niet weet? Of misschien zo’n manager aanschieten die me dan waarschijnlijk overdraagt aan de verkoper die eigenlijk wil poetsen? Ik heb er geen zin in, draai me om en loop rechtstreeks naar de uitgang. Thuis bel ik een internetwinkel.
‘Fijn dat u ons hebt gekozen en natuurlijk mag u vragen zoveel u wilt.’ Het antwoord is snel gevonden en omdat ik toch aan de lijn hang, maken we de bestelling direct rond. Morgen thuis afgeleverd.
‘Kan ik nog iets anders voor u doen? Nee? Dan wens ik u een hele fijne dag.’

Hoor

Toen ik op de boot voer, dagenlang met weinig slaap en soms een stijve bries die golven zwellen deed en de boot liet stuiteren, kreeg alles om me heen een stem. De vlagen in het want floten naar me, fluisterden mijn naam, zeiden dingen die ik niet verstond, maar met een menselijke klank. Het water klotste langs de romp en klonk als kuchen, zoals mijn vader deed als hij het niet eens was met wat mijn moeder zei, of als hij geen woorden had, maar me toch vermanend toe wou spreken. Het krakend hout van de betimmering steunde zacht in klanken die ik leek te kennen van een vrouw. Vast en zeker dacht ze aan me, had ze me hier gevonden, door de nacht haar blik op mij gevestigd. Dan een kirrend lachje uit de kast met de glazen, de thermoskan die haar lippen tuitte en me nariep als een bouwvakker een jonge vrouw.
Terwijl ik langs een akker loop, hoor ik terug wat ik die nacht op mijn mobiel heb opgenomen, wat ik van het pratend schip heb vastgelegd. Maar het geluid is leeg en onbestemd. Mijn voeten sissen door het natte gras. Wat verder weg roept de torenklok eenieder die in god gelooft ter kerke.

Naar zee

Het schemert. Op de traag stromende rivier knipperen groene en rode tonnen. Vanuit zee gezien, liggen de rode bakens aan je linkerkant, herinner ik me. Daar waar je hart bonst van opwinding omdat je straks je lief gaat zien. Vanaf de negende verdieping van de veerboot tussen Harwich en Hoek van Holland kijk ik naar beneden. Het schip ligt nog afgemeerd en de vrachtwagens rijden in een eindeloze stroom naar de lager gelegen autodekken. Ik heb slaap, maar wil wakker blijven tot we de rivier afvaren en genieten van de zwoele zomeravond. De zee ligt rechts van ons, zie ik op de navigatieapp. Net als ik mijn mobiel weer wegstop, zegt een vrouw die naast me staat tegen haar man: ‘kijk, daar zie je de zee!’ Vol overtuiging wijst ze naar links waar de zon nog nagloeit boven een streepje avondmist. Ik slik de ontkenning weg, glimlach en zeg hoe mooi het is. Ineens voel ik me moe. Ik draai me om en neem de trap naar mijn raamloze hut op de tiende verdieping, plof neer op bed en zet de tv op kanaal 5: View from the bridge. De route naar zee staat vol grote loodsen en fel verlichte kranen. Het havenlicht schittert op het zwarte water. Ik ga naar huis. Als ik straks wakker word voor de Nederlandse kust, liggen de rode tonnen links.

Willetje

‘Fluffie, fluffie, kom. Kom op!’
Fluffie, dat moet een grap zijn, schiet het door mijn hoofd. Een zwaar getatoeëerde man, een paar plaatsen voor me, staat op en sleept een hondje tussen de banken vandaan. Het is nog vroeg, maar de hitte zindert door de ramen van de treincoupé.
‘Kom, kom Fluffie, we gaan naar het strand.’
Fluffie heeft geen zin, ze houdt haar poten slap en gaat liggen zodra hij stopt met trekken.
‘Mam, waarom wil die hond niet lopen?’ vraagt een blondgelokt ventje.
‘Ik weet het niet,’ zegt ze, ‘misschien heeft hij geen zin in strand.’
‘Maar wij wel, hè mam,’ zegt hij luid, terwijl hij zijn moeder nadrukkelijk aankijkt, ‘want ik ga in zee zwemmen met oma en snorkelen met opa.’
Ik glimlach om zoveel zelfverzekerdheid, net als de moeder wat verlegen om zich heen kijkt. Ze kruist mijn blik en onwillekeurig lacht ze terug.
Fluffie ligt inmiddels hijgend in het gangpad. Haar baas laat de riem los, pakt haar op en knuffelt haar.
‘Het is zo’n lekker eigenwijsje,’ zegt hij zonder iemand aan te kijken, ‘altijd weer dat eigen willetje, altijd weer dat willetje.’

Spion

‘Welkom in de intercity uit Rotterdam in de richting Groningen…’ Een licht verveelde mannenstem noemt via de intercom een lange reeks stations waar de trein zal stoppen. Ergens tussen de woorden Zwolle en Assen hoor ik een scherpe klik en door het geluid van de conducteur heen zegt een felle vrouwenstem ‘Salam aleikum, salam, salam.’
Even schrik ik, maar de conducteur praat onverstoorbaar door. De vrouwenstem klinkt opgewonden. ‘Je houdt je bek, hoor je. Gewoon je bek houden. Met welke telefoon bel je nu? Met die van de rechercheur die naast je staat? Zie je wel. Dit is een geheimhoudingsgesprek, want ik ben je advocaat, maar ze luisteren toch gewoon mee. Ik ben voor je bezig met die Hammerstein of die Duitse advocate, je weet wel, want die andere is niet goed genoeg en ik heb kleren voor je afgegeven bij de gevangenis. Ja. Ja. Ik zie je morgen. En verder gewoon je bek houden. Salam. Salam. Salam.’

Bij het binnenkomen heb ik nauwelijks aandacht aan hem besteed, maar iets verderop in de coupé zit een man die in zijn eentje vier zitplaatsen bezet houdt. Een volle aktetas en een open koffer met rapporten op de bank tegenover hem, naast hem een zwarte rugzak en dan hijzelf ernaast. Zou hij een geheim agent zijn? Wat ik nu hoor zijn allemaal Arabische klanken. Inmiddels staat mijn mobiel op opname en hoop ik een paar flarden mee te pikken van de telefoongesprekken die hij op vol volume afspeelt. In de reflectie van het raam vang ik een glimp van hem op en van zijn blikje lagerbier dat op het treintafeltje staat.
Het is een warme dag. De zon brandt door het raam. Aan de andere kant van het gangpad is schaduw en zijn alle zitplaatsen nog vrij. Ik pak mijn reistas en rugzak, zet een paar passen naar voren en val gespeeld nonchalant neer op een bank zo dicht mogelijk bij hem. Even kijkt hij opzij, doet het deksel van zijn koffer dicht en leest dan verder in het rapport dat op zijn schoot ligt. Opsporingsonderzoek en Kopie staat in hoofdletters op het omslag, met daarboven groot en blauw het logo van de politie. Uit mijn ooghoek zie ik dat hij snel door het rapport bladert en hier en daar met zijn balpen wat zinnen aanstreept. Zo nu en dan kijkt hij onderzoekend mijn kant op. Hij trekt een tweede blikje open. Terwijl hij een paar slokken bier wegklokt, neem ik hem op. Zwart t-shirt, zwarte broek, zwarte riem, zwarte gympen, geen sokken, donker haar dat al aardig dun wordt en een voor zijn leeftijd -vijfendertig jaar schat ik- vermoeide blik, slappe armspieren, laag buikje. Nee, dit is geen geheim agent, eerder een kantoorman. Maar hoe komt hij aan zulke geluidsopnamen en hoe haalt hij het in zijn hoofd om die in een treincoupé zo hard af te spelen?

In Utrecht loopt de trein vol met dagjesmensen die keuvelend over het warme weer hun meegebrachte bruine boterhammen met kaas en worst wegkauwen. Ik nip wat aan de restauratiekoffie uit de rugzak van zo’n gemaakt vrolijke verkoper en staar uit het raam. De geheim agent of juridisch assistent of wat hij ook maar is, heeft zijn dossiers weggeborgen in de koffer en slaapt. Zijn hoofd hangt licht achterover. Hij snurkt. Het ziet er ongemakkelijk uit. Met mijn mobiel maak ik een kiekje van hem en voel me heel even een geslaagde spion.

Wekker

De wekker haalt me uit mijn slaap. Hij loopt niet af maar, wat ik overdag niet hoor, tikt oorverdovend hard en bij elke tik zie ik een golf geluid de kamer door pulseren met daarachter wervelingen die zuigen en trekken, waarin ik kan verdwijnen, op kan lossen – nooit meer gezien, die man, hij lag in bed en het volgende moment was-ie verdwenen. ‘Niet op letten,’ zegt een stemmetje in mijn hoofd als ik er duizelig van word en voel dat ik in de stroom verdwijnen ga. Gehoorzaam laat ik mijn gedachten dwalen en zak weg in een halve droom, met haar tegen me aan en hond snurkend op de gang. Een merel zingt en ik drijf mee met het geluid en vind me later, heel veel later, wakker terug in een wereld waar het regent en de wind het groen laat wuiven.

Scan

Onbewogen gezicht, onbewogen lichaam. Terwijl ze door het gangpad schrijdt, dwalen haar ogen van links naar rechts door de coupé, op zoek naar een plek die haar bevalt. Ze maakt haar keuze en in een vloeiende beweging schuift ze haar billen opzij in de richting van de vrije zitplaats. Terwijl ze gaat zitten, richt ze haar blik naar buiten, haar linkerhand glijdt in een jaszak en komt terug met haar mobiel. Ze wendt haar blik van het raam naar haar mobieltje en verkent, zonder haar beweging te vertragen, het gezicht van de passagiers tegenover haar. Haar eigen gezicht blijft strak en leeg, haar ogen maken geen contact. Ze brengt haar mobieltje op buikhoogte en ratelt met haar duimen op de digitale toetsen.

Vroeg

Op het perron ligt een zwarte kat in de ochtendzon. Drie vrouwen zakken op hun hurken, steken hun handen uit en kirren luid hoe mooi ze is, en die witte vlekjes en ze spint zo lekker, je moet haar wel aaien of je wilt of niet en haar op schoot nemen en vertroetelen. Drie paar gretige handen masseren de rug van de kat die gromt en knort en hoorbaar geniet. De stemmen klinken verbolgen als ze zien dat ze een achterpootje mist maar al gauw klinkt dankzij die handicap in de stemmen nog meer liefde en vertedering door. Op een bankje luister ik naar het geklets over pootjes, haartjes, knorretjes en witte voetjes, en verbaas me over het gemak waarmee ze hun gevoelens delen. Ik zucht en wilde wel dat ik in bed lag, kattenvrij en kwebbelvrij, lekker warm met de balkondeur open voor wat frisse lucht. De trein rolt binnen. Ik stap in, de vrouwen volgen mij. De grootste kijkt me onderzoekend aan.

Mug

Ik rommel wat in de keuken en heb zin in thee. Net als ik de losse kan van de waterkoker op de verwarmingsunit zetten wil, fladdert een wat slappe langpootmug laag over het aanrecht en landt midden op het verwarmingselement. Nee, dat is sneu, daar zet ik de kan niet bovenop. Dus ik haal mijn hand terug en maak het keukenraampje open. Een warme vlaag slaat naar binnen en tot mijn verrassing vliegt de zo lamlendig ogende langpootmug gedecideerd tegen de wind in naar buiten. Een merel die net langs vliegt plukt hem uit de lucht. Verbaasd doe ik het raam weer dicht en maak de thee af. Aarzel of ik me schuldig voelen zal.

Check

‘U hebt niet uitgecheckt bij NS en niet ingecheckt bij ons.’ Aan zijn gezicht zie ik dat de conducteur van de moderne Arrivaboemel tussen Zwolle en Emmen (met aansluiting op de bus naar Ter Apel) vaker met dit bijltje hakt. Hij klinkt vermoeid en gelaten. De donkere man naast me kijkt niet-begrijpend naar hem op, reikt hem nogmaals zijn ov-chipkaart en mompelt iets dat klinkt als ‘do not understand.’
‘Different company,’ antwoordt de conducteur en klopt op het Arriva-logo op zijn uniform, ‘not NS, but Arriva, you must check in with Arriva on the next station. Go to the front of the train, get out and check in.’ De conducteur gaat door met zijn werk en verdwijnt langzaam uit beeld. De donkere man kijkt naar me en haalt met een vragende blik zijn schouders op. Ik probeer het nog een keer uit te leggen. Maar snap al pratend dat het voor een buitenlander niet te begrijpen is dat je bij de ene trein gewoon overstapt, maar bij de andere moet in- en uitchecken bij gele en blauwe paaltjes. Na wat heen en weer praten in een soort steenkolenengels lijkt het of hij het snapt. Op het volgende station stapt hij uit met zijn ov-chip in zijn hand. Als even later de trein vertrekt, hoor ik gegrinnik aan de overkant van het gangpad. ‘Daar staat-ie,’ wijst iemand. Uit het raam zie ik hoe de donkere man de trein nakijkt van achter een gesloten spoorboom.

Boot

‘Hee, wat leuk,’ schalt het over het water, ‘daar ligt de BeJoJá.’ De man aan het roer van een voorbijvarende kruiser wijst naar een schip dat voor de wal ligt. Uit de deur van de kajuit duikt vrouwenhoofd op. ‘Ik zie het, wat bijzonder is dat,’ roept ze luid, ‘hallo BeJoJa, hallo BeJoJa!’
Op de BeJoJa zit een man een krant te lezen. Hij kijkt op en inspecteert het langsvarende schip. Dan schiet hij in de lach. ‘Jo, kom eens kijken,’ roept hij en een blonde dame in een ochtendjas komt met een kopje thee in haar hand het dek op. ‘Zie je dat? Kijk daar die boot, zie je die naam!’ Ze kijkt en wijst dan enthousiast naar de passerende boot. ‘Dat is toevallig, die boot heet de BeJo, dat lijkt wel heel erg op BeJoJa. Dat is gek. Zoiets heb ik nog niet eerder gezien. Zo geweldig gek.’ Samen staan ze aan dek en kijken de langsvarende BeJoJa na. Ze zwaaien. Op de BeJoJa staan man en vrouw ook aan dek. Hij aan het roer en zij geleund op de rand van de kajuit. Ze kijken naar de BeJo en ook zij zwaaien fanatiek.
Ik fluit mijn hond, laat het kanaal links liggen en loop een smal en kronkelend bospad in. De zon schijnt warm op mijn hoofd, een merel zingt het hoogste lied en in het bloeiende gras zoemen de bijen hun honing bij elkaar. Ik voel me zeer tevreden zonder boot.

Mike

‘Wat zeg je?’
‘Kun je wat harder praten?’
‘Sorry, u bent erg slecht te verstaan!’
Iedereen belt mobiel. Dus ik ook. Maar blijkbaar was er iets mis met mijn telefoon, want vrijwel iedere beller begon erover. Dus de telefoonwinkel gebeld.
‘Wat is uw naam, zei u? Kunt u wat harder praten? Tja, u kunt hem brengen en dan sturen wij hem op voor een analyse en dan hoort u na een week of drie wat er aan de hand is. Dat kost 60 euro, plus natuurlijk de reparatiekosten. Ja, dat loopt meestal aardig op. Nee, zelf zou ik dat nooit doen, ik zou een andere kopen of in mijn vriendengroep vragen of er nog iemand een goede telefoon heeft liggen.’
Ik google wat op nieuwe telefoons, maar vind het idioot dat een topmobiel van 2 jaar oud nu ineens waardeloos zou zijn. Dus weer achter de pc google ik naar reparateurs in de buurt. Een van hen – BTR in Coevorden- heeft een goede website, dus die bel ik.
‘Ja hoor. Misschien een nieuw microfoontje erin, kost veertig euro voor uw type telefoon. Nee, geen andere kosten. Nee, ook geen onderzoekskosten, alleen de reparatie.’
De volgende dag haal ik de telefoon weer op. ‘Ik heb er maar weinig aan gedaan,’ zegt de man terwijl hij me onderzoekend aankijkt, ‘ik kon me niet voorstellen dat die mike echt kapot was, dus ik heb de gaatjes die ervoor zitten schoongemaakt en het toestel getest. Klonk prima. Dus probeer het zo eerst maar even.’
Ik pak mijn portemonnee, maar hij schudt zijn hoofd. ‘Dat kost niks hoor, het was minder dan vijf minuten werk, service van de zaak.’
Verrast rij ik naar huis. De telefoon doet het prima. Bel me maar, ik ben weer luid en duidelijk te verstaan.

Schets

Het is heet. Ik zit buiten met een schetsblok op mijn benen en zoek iets om te tekenen. Vlak naast mijn blote voeten groeit wat onkruid tussen de tegels. Ik buk, pluk een sprietje af, leg het op het tekenvel en zet de eerste snelle lijnen. Al na een paar tellen is het blad verlept en rondgetrokken tot een smal groen pijpje. De zon brandt op mijn kale hoofd en ik loop naar binnen om een petje te halen. Het blok leg ik op de eettafel, met het opgerolde onkruidblaadje er nog op. Als ik even later terugkom bij de tafel en het schetsboek pakken wil, rent er een mier van onder het slappe sprietje vandaan. ‘Een rat die het zinkende schip verlaat,’ zeg ik hardop en duw het topje van mijn wijsvinger in zijn richting om hem dood te drukken. Dan ineens heb ik medelijden. Ik pak het boek en blaas de mier naar buiten. Hij verdwijnt tussen de tegels en kijkt niet op of om.

Rap

Het gesprek schiet van links naar rechts. Ik kijk het na en zie het stuiteren van haar naar hem, naar haar, naar haar, naar hem, naar een nieuwe gast die net is aangeschoven. Het is iets dat ze helemaal beheersen, ze kunnen praten, stellen goede vragen, worden gehoord. ‘Zeg hoe zit dat, ja leuk, en hoe zit dat, oh geweldig en ah – wat doe je dan, oh goh en jij, ja natuurlijk zeker, oh ja ja wat mooi, helemaal, echt helemaal en wat een beauty van een grap, en dan die jurk, de wijn, de koppen uit de krant, de regen van vandaag en die bijtende kou. Ik zit aan tafel en kijk naar het gesprek. Later in de auto -als ik bijna thuis ben- weet ik ineens van alles om te vragen, heb ik een snedig antwoord op elke rappe grap.