Uitkijkpost

Ik rij het kunstmatige heuveltje op en parkeer tussen twee auto’s. Voor me een hek, een spoorlijn, een sloot en weer een hek. Daarachter een lichtgroene vlakte met kaalgevreten boomstammen en hier en daar een flinke poel water. In de verte graast een groepje paarden, een kraai vliegt op. Mijn blik speurt over het terrein, maar blijft nergens hangen. Ik kijk opzij. Links van me een Golf met twee jongens die druk bezig zijn met hun mobiel. Rechts een Volvo met man en een vrouw. Zij staart in de verte. Hij slaapt achter het stuur. Op de vlakte lopen twee herten langzaam langs de afrastering. Ik kijk ze na en voel de ondergaande zon warm op mijn gezicht. Een trein rijdt langs richting Lelystad, een blauw-gele sprinter. ‘Oh ja, die hebben geen toilet,’ denk ik half hardop. In mijn rugzak vind ik een banaan en een appel. Ik kies voor de banaan. De appel is voor straks. Door het open raam hoor ik kinderen gillen. Een vader en twee peuters rennen langs en rollen lachend de heuvel af. Dan is het heel lang stil. De banaan is op en ik hap toch ook maar in de appel. Van ver komen drie runderen aangeslenterd. In zichzelf gekeerd sjokken ze schijnbaar doelgericht naar nergens. De vlakte is weer leeg. Ik kijk opzij. De jongens naast me bewegen hun duimen razendsnel over het toetsenbord. Aan de andere kant nog steeds een man die slaapt. Zij staart in de verte. Ik speur de vlakte nog eens af. Kaal. Leeg. Mager. Schamel. Armetierig. Andere woorden heb ik niet. Van rechts komt de sprinter naar Almere aan. De trein ruist langs, net zo leeg als ik.

Wilkommen im Draussen

Dat belooft een spetterend uitzicht! Op een heuveltop staat een hoge uitkijktoren, vastgeplakt aan een kroeg die er gezellig uitziet. Als ik naar trap loop, glijdt onverwacht een liftdeur uitnodigend open. De avondzon verlicht de twee bedieningsknoppen, BG en etage 6.
‘Naar zes dan maar?’ Een zoem, een snelle stijging en paar seconden later schuiven de deuren open op de zesde etage.
‘Wat een uitzicht!’ Ze loopt naar de railing en richt haar fototoestel naar de verte. Ik zet wat aarzelend een eerste pas en stop dan abrupt. De vloer van metalen roosters laat daglicht door en de grond diep onder mij trekt mijn blik onweerstaanbaar naar beneden. Het staal van de vloer trilt bij elke hartslag en de toren schudt zachtjes heen en weer bij ieder zuchtje wind. Ik scheur mijn ogen los van de diepte en kijk recht vooruit naar de zachtglooiende heuvels. Maar nog steeds voel ik onder me dat gat van zes etages diep. Lachende stemmen en achter me komt een jong stel giechelend de trap omhoog. Hij is als eerste boven, spreidt zijn armen naar het uitzicht, doet drie passen naar voren, kijkt naar beneden en bevriest.
‘Kijk die vloer,’ gilt hij met hoge stem en zet pardoes drie stappen terug. Zijn vriendin is inmiddels ook boven. Even kijkt ze door het rooster naar beneden, dan vermant ze zich en loopt pas voor pas, steeds met een adempauze tussendoor, naar de lage railing, zes meter verderop.
‘Gewoon niet naar beneden kijken, dan gaat het wel,’ roept ze naar achteren. Hij schuifelt naar voren. Als vanzelf zet ik ook een pas. De stalen toren trilt. Ik tril mee. Hij blijft staan. Ik doe een stapje terug. En nog een en nog een. Net voor ik bij de lift ben, sluiten de deuren. Leeg zoemt de lift naar beneden. De toren trilt.

Buitenaards

Over de vloer waait een pluisje. Zou dat een alien zijn, vraag ik me af, een nog niet herkende vertegenwoordiger van buitenaards leven? Ik kijk extra goed naar hem en luister of ik iets hoor, probeer me open te stellen voor een telepatisch contact. Een vreemde levensvorm lijkt het me. Hoe ik daar in godsnaam mee communiceren moet? Maar hij blijft in mijn buurt rondwaaien en lijkt zich soms tot mij te richten. De hond blaft en ik kijk naar buiten wat er aan de hand is. Zet thee. Rommel wat in de keuken. Stofzuig. En als het huis wat schoner is, herinner ik me ineens de alien. Ik zoek hem, maar er is niks meer te vinden. Geen pluis op de vloer. Ik richt mijn blik naar buiten, naar het heelal en zend een korte boodschap. ‘Sorry, even niet opgelet. Als het er echt een was, stuur je dan een nieuwe?’ En vind mezelf ineens aanmatigend en arrogant. Stel je voor dat het hen enorm veel moeite heeft gekost die pluis hierheen te krijgen, dat ze hun voorraaden ervoor hebben uitgeput, al hun kennis hebben ingezet, om dan uiteindelijk niet-herkend in een stofzuigerzak te eindigen. Even weet ik niet meer wat te doen. Dan hoor ik een vertrouwde claxon. Ze is weer thuis met boodschappen voor een week. Ik loop naar buiten. Eerst maar eens helpen sjouwen.

Roze vinger

Ik zuig het landschap op. Eerst door het raam aan deze kant van de trein, daarna door het raam aan de andere kant. Dan weer door dit raam. Door dat. Dit. Dat. Dit. Dat. Ik zie Echten dat ik ken, Koekange met zijn rare naam. Dan de scherpe bocht naar links.
‘Meppel, we naderen station Meppel,’ zegt de speaker. De trein remt langzaam af en in een reflex kijk ik naar voren, naar de wand van de coupé. Meestal zit daar een spiegel, een foto van een poort in Zwolle of een gracht in Amersfoort. Maar in deze trein hangt er iets geks. Een raar plaatje. Een roze vinger wijst schuin naar beneden en een groene grasspriet wijst schuin omhoog. Waar het gras de vinger raakt, zit een diepe snee. Het plaatje plakt en zuigt en trekt. Ik kan mijn hoofd niet meer bewegen, krijg mijn ogen niet meer vrij. Het kan niet wat ik zie. Het is niet echt. Het bestaat niet.
Ik laat mijn lollie vallen en wijs met trillende vinger naar het enge ding
‘Pap, kijk daar, wat is dat?’
Mijn vader kijkt om.
Hij schuift de bank uit, buigt voorover en tast naar zijn leesbril. Van achter zijn rug kijk ik mee.
‘Snijden aan gras,’ leest Pa hardop voor.
Hij draait zich om en duwt mij terug op de bank.
‘Ga even zitten joh, het is druk op het perron, straks is je plekje nog weg.’
Ik ga zitten, maar mijn ogen blijven vastgehaakt aan dat gekke plaatje.
Als de trein allang weer rijdt, herinner ik me ineens mijn lollie. Ik wurm me tussen vier paar benen door naar het gangpad, pak de lollie van de grond, veeg het ergste vuil eraf en stop hem in mijn mond. Terug op mijn plek, tuur ik stilletjes naar buiten. Mijn vingers reflecteren in het raam, met op de achtergrond het gevaarlijk groen van gras.

Bospad

Ik ben de eerste die hier loopt vandaag. Om de paar meter voel ik spinnendraden op mijn gezicht, in mijn stoppelbaard, op mijn blote armen. Ze zijn dik en sterk en bieden weerstand. En als ze knappen -met een hoorbaar plopje soms- kriebelen ze langs mijn neus.
Per ongeluk glijdt mijn blik langs mijn t-shirt naar beneden. Drie dikke spinnen rennen op navelhoogte driftig heen en weer. De grootste lijkt mijn beweging op te merken en klimt zo snel hij kan omhoog in de richting van mijn keel. Met een gerichte beweging tik ik hem van me af. Denk ik. Want het beest grijpt zich vast aan de kleverige draden die nog aan mijn vingers plakken. Ik wapper mijn hand heen en weer en veeg langs de bast van een berkje. Het lukt. De spin rent omhoog langs de stam.

De andere twee spinnen zitten nog steeds op mijn shirt. Bewegingloos alsof ze zich beraden op wat ze zullen doen nu er een minder is. Maar ik geef ze geen kans en schudt de stof heen en weer totdat ze vallen. Met mijn armen als een breekijzer voor mijn gezicht loop ik verder. Later in de auto kijk ik in de spiegel. Spinrag hangt als vergeten grijze haren aan mijn kale kop.

(Hondenwacht plaats ik op woensdag, aflevering 13 vind je hier: http://zeilhelden.nl/2017/04/hondenwacht-13-kreunen-kraken-zingen/)

Maria

De zijdeur kraakt als ik hem dicht doen. De kerk is duister en het ruikt er koud en oud. Verspreid door de kerk zitten drie gelovigen die bidden of mediteren of gevlucht zijn voor de zinderende hitte buiten. Ik kijk op en mijn ogen focussen als vanzelf op het enige lichtpunt in de verder onverlichte kerk, Jezus aan het kruis, aan de muur hoog boven het altaar. In de galerijen staan onverlichte beelden van heiligen. Die vrouw met dat kind op haar arm, dat zal Maria zijn. Katholiek ben ik niet, maar een kerk loop ik vrijwel altijd in en vaak steek ik een kaarsje aan. Ik hou van het meditatieve moment dat dit met zich meebrengt. Even sta ik dan stil bij de kwetsbaarheid van het leven, bij wie er overleden zijn. Langs de donkere houten alkoven loop ik naar Maria. Er branden drie kaarsjes. Bij alle andere heiligen is het helemaal donker. Uit gewoonte zoek ik links en rechts naast het altaar naar de voorraad kaarsen en de lucifers. Nee, niks. Dan valt mijn oog op een gleuf met de afbeelding van een 50 centstuk erboven. Nu ik beter kijk, zie ik helemaal geen kaarsen of waxinelichtjes, er branden drie lampjes. Keurige, gelijkvormige, statische lampjes. De flakkerende kaars die doet denken aan een leven dat toppen en dalen kent, ingeruild voor een elektrisch lampje dat voor 50 cent een kwartier lang brandt. Ik draai me om en loop naar de uitgang. Een smalle straal daglicht valt verblindend fel naar binnen door de boogramen boven de deur. Alsof God zelf meekijkt, net zo verbaasd als ik.

Hondenwacht

‘Tijd, het is tijd, over 5 minuten begint jouw wacht, wakker worden, opstaan!’ Ik schommel woest heen en weer in mijn bed. De boot kraakt en de golven spoelen hoorbaar langs de romp van de boot. Buiten giert de wind door het want en er klappert soms een zeil. Het ongeschoren hoofd van de schipper lacht me toe. Ik hang half in een spanzeiltje langs mijn kooi dat ervoor zorgt dat ik niet uit bed kan vallen. Kleren. Waar zijn mijn kleren. Naast het kussen weet ik mijn muts. Hij voelt wat klam als ik hem opzet. Aan het voeteneind mijn sokken. Ik trek mijn knieën op en schuif mijn benen uit de slaapzak en terwijl de kou langs mijn huid strijkt, trek ik mijn sokken aan, eerst de linker, dan de rechter. Ernaast op een prop weet ik mijn broek, liggend werk ik me erin. Mijn T-shirt heb ik nog steeds aan. Wordt dit de derde dag? Ik slinger mijn benen over het spanzeiltje en grijp me terwijl ik ga staan vast aan de stang naast mijn bed. Als de boot in een golfdal smakt, draai ik om mijn as en en laat me vallen op de bank waar mijn zeilpak ligt. De ademende kunststof ritselt als ik de regenbroek tot over mijn knieën trek. Even sta ik op om balancerend op een been de broek omhoog te krijgen en de bretels over mijn schouders te hijsen. Waar zijn mijn laarzen. Ik laat me op de hellende kajuitvloer zakken en glij over het gladde hout naar de lage kant van de boot. Op de tast vind ik mijn laarzen tussen een boek, drie paar bootschoenen, een pen en een vermiste zonnebril. Met mijn laarzen in mijn linkerhand worstel ik mezelf terug omhoog. De laarzen zijn stroef en vochtig als ik ze aantrek, net als de zeiljas. Op de tast vind ik mijn zwemvest. Het ding voelt zwaar en vochtig en als ik het aantrek rammelen de snaphaken van de veiligheidslijn. Even duwen, dan klikt de sluiting vast. Met als steun de tafel, een ijzeren stang, de kaartentafel en het aanrecht stommel ik naar de deur en klots de vier treden van het trapje op. Het waait nog steeds 25 knopen zie ik op de plotter. ‘Koers 245 graden en ik heb het grootzeil wat meer twist gegeven. Goede wacht!’ Het is donker. Hier en daar knippert een baken. De wind jaagt de regendruppels fel in mijn gezicht.

Ruis

Een boer, een eindje verderop, sproeit mest over zijn akker. Nee, nodig ben ik daarbij niet, denk ik terloops en zomaar snap ik dat ik overbodig ben, nergens nodig ben, behalve misschien hier en nu, omdat anders niemand hoort hoe mooi de wind ruist door het hoge riet. Of zou ook dat zonder mij gewoon gebeuren? Nee, ik ben niet nodig. Alles vindt zijn weg ook als ik zou vervagen of zomaar op een dag verdwijn. Alles gaat heel gewoon zijn gang. Misschien rimpelt het water en zegt iemand dat ik eerder ging dan was verwacht of dat ik wat afwezig was de laatste tijd.
Maar ik droomde dat met mij de wind verdween die hier het riet zo mooi liet ruisen. Schrik wakker. Schud duizend druppels van me af.

Lijn

Wind golft door de toppen van verdwaalde bomen. Ik droom van water, rusteloze vlaktes, witte vlokken schuim. Een adder op mijn pad. Ooit geloofde ik dat adders kunnen rollen, de staart gretig vastgebeten door de bek en dan rollen, rollen als een wiel, sneller dan ik ooit zou kunnen rennen, om toe te slaan op een stille plek, te ver van huis om mijn gebeten arm of been te kunnen redden. De vlakte is te groot, geen houvast voor mijn blik die zoekt naar wat zich ook maar voor wil doen, verloren in de ruimte speurt naar een richting om te gaan. Een torenklok slaat een ongeteld getal, de spits als een vingerwijzing op de horizon. Ik zucht, pak mijn mobiel en open Google Maps. In een rechte lijn is het 2800 meter naar de auto.

Sorry

Pasje mee en even langs de computerwinkel om die aanschaf rond te maken, want eigenlijk koop ik het liefst lokaal, bij echte mensen en hoewel dit ook een filiaal is van een grote keten heeft het toch mijn voorkeur. Het is rustig in de winkel. De buitendeuren staan open en de airco blaast koele lucht door de ruimte. Doelgericht loop ik naar de juiste afdeling. Tussen de computers en de notebooks staat een verkoper, duidelijk herkenbaar aan zijn rode bedrijfsshirt. ‘Kun je me misschien even helpen?’ Hij spuit wat glassex op een schermpje en poetst dat uit met een velletje van zijn keukenrol. ‘Sorry, ik ben bezig, maar misschien kan een collega u wel helpen.’
Hij roept naar een verkoopster die met stevige pas op weg lijkt naar het magazijn. Ze houdt even in en kijkt me vragend aan. Al halverwege mijn vraag schiet ze in de lach. ‘Daar heb ik helemaal geen verstand van,’ zegt ze. En terwijl ze zich omdraait voegt ze eraan toe: ‘Ik zou ze alledrie nemen en wat niet past gewoon terugbrengen.’
Ze wacht mijn reactie niet af en verdwijnt door de magazijndeuren. Ik lees de informatiekaartjes bij de uitgestalde producten, maar ze geven geen antwoord op mijn vraag. Verderop in de winkel zijn twee mannen serieus in gesprek. Hun blauwe overhemd met naambordje duidt op een managersfunctie. Verder is er alleen de verkoper die nog steeds staat te poetsen. Zal ik hem nog een keer aanspreken? Of wachten tot die dame terugkomt die het ook niet weet? Of misschien zo’n manager aanschieten die me dan waarschijnlijk overdraagt aan de verkoper die eigenlijk wil poetsen? Ik heb er geen zin in, draai me om en loop rechtstreeks naar de uitgang. Thuis bel ik een internetwinkel.
‘Fijn dat u ons hebt gekozen en natuurlijk mag u vragen zoveel u wilt.’ Het antwoord is snel gevonden en omdat ik toch aan de lijn hang, maken we de bestelling direct rond. Morgen thuis afgeleverd.
‘Kan ik nog iets anders voor u doen? Nee? Dan wens ik u een hele fijne dag.’

Hoor

Toen ik op de boot voer, dagenlang met weinig slaap en soms een stijve bries die golven zwellen deed en de boot liet stuiteren, kreeg alles om me heen een stem. De vlagen in het want floten naar me, fluisterden mijn naam, zeiden dingen die ik niet verstond, maar met een menselijke klank. Het water klotste langs de romp en klonk als kuchen, zoals mijn vader deed als hij het niet eens was met wat mijn moeder zei, of als hij geen woorden had, maar me toch vermanend toe wou spreken. Het krakend hout van de betimmering steunde zacht in klanken die ik leek te kennen van een vrouw. Vast en zeker dacht ze aan me, had ze me hier gevonden, door de nacht haar blik op mij gevestigd. Dan een kirrend lachje uit de kast met de glazen, de thermoskan die haar lippen tuitte en me nariep als een bouwvakker een jonge vrouw.
Terwijl ik langs een akker loop, hoor ik terug wat ik die nacht op mijn mobiel heb opgenomen, wat ik van het pratend schip heb vastgelegd. Maar het geluid is leeg en onbestemd. Mijn voeten sissen door het natte gras. Wat verder weg roept de torenklok eenieder die in god gelooft ter kerke.

Naar zee

Het schemert. Op de traag stromende rivier knipperen groene en rode tonnen. Vanuit zee gezien, liggen de rode bakens aan je linkerkant, herinner ik me. Daar waar je hart bonst van opwinding omdat je straks je lief gaat zien. Vanaf de negende verdieping van de veerboot tussen Harwich en Hoek van Holland kijk ik naar beneden. Het schip ligt nog afgemeerd en de vrachtwagens rijden in een eindeloze stroom naar de lager gelegen autodekken. Ik heb slaap, maar wil wakker blijven tot we de rivier afvaren en genieten van de zwoele zomeravond. De zee ligt rechts van ons, zie ik op de navigatieapp. Net als ik mijn mobiel weer wegstop, zegt een vrouw die naast me staat tegen haar man: ‘kijk, daar zie je de zee!’ Vol overtuiging wijst ze naar links waar de zon nog nagloeit boven een streepje avondmist. Ik slik de ontkenning weg, glimlach en zeg hoe mooi het is. Ineens voel ik me moe. Ik draai me om en neem de trap naar mijn raamloze hut op de tiende verdieping, plof neer op bed en zet de tv op kanaal 5: View from the bridge. De route naar zee staat vol grote loodsen en fel verlichte kranen. Het havenlicht schittert op het zwarte water. Ik ga naar huis. Als ik straks wakker word voor de Nederlandse kust, liggen de rode tonnen links.

Willetje

‘Fluffie, fluffie, kom. Kom op!’
Fluffie, dat moet een grap zijn, schiet het door mijn hoofd. Een zwaar getatoeëerde man, een paar plaatsen voor me, staat op en sleept een hondje tussen de banken vandaan. Het is nog vroeg, maar de hitte zindert door de ramen van de treincoupé.
‘Kom, kom Fluffie, we gaan naar het strand.’
Fluffie heeft geen zin, ze houdt haar poten slap en gaat liggen zodra hij stopt met trekken.
‘Mam, waarom wil die hond niet lopen?’ vraagt een blondgelokt ventje.
‘Ik weet het niet,’ zegt ze, ‘misschien heeft hij geen zin in strand.’
‘Maar wij wel, hè mam,’ zegt hij luid, terwijl hij zijn moeder nadrukkelijk aankijkt, ‘want ik ga in zee zwemmen met oma en snorkelen met opa.’
Ik glimlach om zoveel zelfverzekerdheid, net als de moeder wat verlegen om zich heen kijkt. Ze kruist mijn blik en onwillekeurig lacht ze terug.
Fluffie ligt inmiddels hijgend in het gangpad. Haar baas laat de riem los, pakt haar op en knuffelt haar.
‘Het is zo’n lekker eigenwijsje,’ zegt hij zonder iemand aan te kijken, ‘altijd weer dat eigen willetje, altijd weer dat willetje.’

Spion

‘Welkom in de intercity uit Rotterdam in de richting Groningen…’ Een licht verveelde mannenstem noemt via de intercom een lange reeks stations waar de trein zal stoppen. Ergens tussen de woorden Zwolle en Assen hoor ik een scherpe klik en door het geluid van de conducteur heen zegt een felle vrouwenstem ‘Salam aleikum, salam, salam.’
Even schrik ik, maar de conducteur praat onverstoorbaar door. De vrouwenstem klinkt opgewonden. ‘Je houdt je bek, hoor je. Gewoon je bek houden. Met welke telefoon bel je nu? Met die van de rechercheur die naast je staat? Zie je wel. Dit is een geheimhoudingsgesprek, want ik ben je advocaat, maar ze luisteren toch gewoon mee. Ik ben voor je bezig met die Hammerstein of die Duitse advocate, je weet wel, want die andere is niet goed genoeg en ik heb kleren voor je afgegeven bij de gevangenis. Ja. Ja. Ik zie je morgen. En verder gewoon je bek houden. Salam. Salam. Salam.’

Bij het binnenkomen heb ik nauwelijks aandacht aan hem besteed, maar iets verderop in de coupé zit een man die in zijn eentje vier zitplaatsen bezet houdt. Een volle aktetas en een open koffer met rapporten op de bank tegenover hem, naast hem een zwarte rugzak en dan hijzelf ernaast. Zou hij een geheim agent zijn? Wat ik nu hoor zijn allemaal Arabische klanken. Inmiddels staat mijn mobiel op opname en hoop ik een paar flarden mee te pikken van de telefoongesprekken die hij op vol volume afspeelt. In de reflectie van het raam vang ik een glimp van hem op en van zijn blikje lagerbier dat op het treintafeltje staat.
Het is een warme dag. De zon brandt door het raam. Aan de andere kant van het gangpad is schaduw en zijn alle zitplaatsen nog vrij. Ik pak mijn reistas en rugzak, zet een paar passen naar voren en val gespeeld nonchalant neer op een bank zo dicht mogelijk bij hem. Even kijkt hij opzij, doet het deksel van zijn koffer dicht en leest dan verder in het rapport dat op zijn schoot ligt. Opsporingsonderzoek en Kopie staat in hoofdletters op het omslag, met daarboven groot en blauw het logo van de politie. Uit mijn ooghoek zie ik dat hij snel door het rapport bladert en hier en daar met zijn balpen wat zinnen aanstreept. Zo nu en dan kijkt hij onderzoekend mijn kant op. Hij trekt een tweede blikje open. Terwijl hij een paar slokken bier wegklokt, neem ik hem op. Zwart t-shirt, zwarte broek, zwarte riem, zwarte gympen, geen sokken, donker haar dat al aardig dun wordt en een voor zijn leeftijd -vijfendertig jaar schat ik- vermoeide blik, slappe armspieren, laag buikje. Nee, dit is geen geheim agent, eerder een kantoorman. Maar hoe komt hij aan zulke geluidsopnamen en hoe haalt hij het in zijn hoofd om die in een treincoupé zo hard af te spelen?

In Utrecht loopt de trein vol met dagjesmensen die keuvelend over het warme weer hun meegebrachte bruine boterhammen met kaas en worst wegkauwen. Ik nip wat aan de restauratiekoffie uit de rugzak van zo’n gemaakt vrolijke verkoper en staar uit het raam. De geheim agent of juridisch assistent of wat hij ook maar is, heeft zijn dossiers weggeborgen in de koffer en slaapt. Zijn hoofd hangt licht achterover. Hij snurkt. Het ziet er ongemakkelijk uit. Met mijn mobiel maak ik een kiekje van hem en voel me heel even een geslaagde spion.

Wekker

De wekker haalt me uit mijn slaap. Hij loopt niet af maar, wat ik overdag niet hoor, tikt oorverdovend hard en bij elke tik zie ik een golf geluid de kamer door pulseren met daarachter wervelingen die zuigen en trekken, waarin ik kan verdwijnen, op kan lossen – nooit meer gezien, die man, hij lag in bed en het volgende moment was-ie verdwenen. ‘Niet op letten,’ zegt een stemmetje in mijn hoofd als ik er duizelig van word en voel dat ik in de stroom verdwijnen ga. Gehoorzaam laat ik mijn gedachten dwalen en zak weg in een halve droom, met haar tegen me aan en hond snurkend op de gang. Een merel zingt en ik drijf mee met het geluid en vind me later, heel veel later, wakker terug in een wereld waar het regent en de wind het groen laat wuiven.