Om en om

‘Daar’ wijst ze en loopt naar de terrastafel naast me. Ze gaat zitten. Vanaf haar stoel reikt ze naar de lege stoelen rond de tafel en zet die recht. Haar eigen stoel schuift ze zo dat ze haaks op de tafel zit. Ze wijst hem zn plek en ook hij schuift naar een positie haaks op de tafel. Voor hij goed en wel zit, trekt-ie zn portemonnee en telt vier euro veertig uit op tafel, dan legt hij z’n benen over elkaar en zucht. Zij schuift de menukaart zo ver mogelijk weg en deponeert haar handtas op tafel. ‘Twee koffie’ zegt ze tegen de ober terwijl ze voor zich uitkijkt. Daarna praten ze. Keurig om de beurt met grote pauzes soms.
‘Ik bel haar niet’ zegt ze ‘want je hoort nooit iets van haar.’
‘Nee’ zegt hij ‘daarom bel ik haar ook niet.’
‘Kijk, zie je dat? Allemaal dubbele nationaliteiten.’
‘Ja, het zijn er steeds meer.’
‘Jannie zei dat ze zo dik is, maar ze is helemaal niet dik.’
‘Nee, hoor, Jannie vind ik zeker niet dik.’
‘Het waren best dure kleren, maar zo strak. Alles was veel te strak. Maar goed spul hoor en mooie kleuren.’
‘Ja, die kleuren waren schitterend.’
Om en om praten ze. Zij geeft een mening, hij bevestigt.
‘Kijk eens hoe laat het is’ zegt ze. ‘Het is kwart voor’ antwoordt hij. ‘Kom, we gaan’ zegt zij ‘we nemen nu de andere route.’ Ze staan op en schuiven hun stoelen aan tot ze haaks langs de tafel staan. Zij kijkt even om of hij niks vergeten is. Dan gaat ze hem voor naar de wandelpromenade.

Niet

‘Pas je een beetje op met die trekker.
Je mag wel spelen, maar voorzichtig hoor.
Kijk uit, daar loopt een meneer.
Niet zo hard, niet zo ha-hard.
Dat jongetje mag niet vallen hoor.
Pas toch op. Langzamer, langzamer.
Kom nou maar even zitten.
Papa vindt ook dat het genoeg is.
Kom je zitten?
Met de lego spelen mag ook.
Stop je nou even met die trekker.
Nou toe dan maar, maar wel langzamer.
In de buurt blijven, we zijn zo aan de beurt.
Hoor je me, niet zo ver.
En niet zo snel, wat zeg ik nou?!’
In een eindeloze litanie roept de moeder vanuit de wachtkamer naar haar dochtertje dat een grote trekker rondduwt door een gang van het ziekenhuis. Aan het stuur zit een jongetje van een jaar of drie. Zij is misschien vijf. Wat haar moeder ook roept, ze geeft geen krimp.
‘Kan je niet harder?’ vraag ik als ik langs haar loop.
Met een stralende lach kijkt ze naar me op. De trekker raakt daardoor subiet uit koers en slaat om.  In mijn kielzog hoor ik twee huilende kinderen en een moeder die roept…
‘Ik zei nog zo, pas nou op.’

Diep

‘Oma mag ik zwemmen’ vraagt een jongetje van een jaar of vier.
Zn zwembroek heeft-ie al aan.
‘Nee’ zegt oma ‘want ik weet niet hoe diep het hier is.’
Ze zit in korte broek op een zwerfkei aan de rand van een recreatieplasje.
Haar voeten steken in het water.
‘Uw benen zijn al bloot’ plaag ik ‘dus u kunt er zo inlopen om het te testen.’
‘Nee, nee, mij niet gezien’ schrikt ze.
‘Oma mag ik zwemmen’ vraagt het jongetje opnieuw.
‘Nee, jongen’ antwoordt ze ‘ik weet niet hoe diep het hier is.’

Wil

‘U loopt hier ook vaak’ zeg ik tegen een man met twee hondjes.
‘Ja, je moet blijven bewegen als je met de vut bent’ zegt-ie ‘als je achter de geraniums gaat zitten, kun je zo door naar de dokter.’
‘Maar jij loopt hier toch ook vaak genoeg.’
‘Ik ben eigen baas’ zeg ik ‘dus ik ben vrij wanneer ik maar wil.’
We glimlachen naar elkaar als afscheid.
Het dringt langzaam tot me door door wat ik zojuist gezegd heb.

Schat

Twee meisjes spelen op een verder verlaten schoolplein. Het is een zomerse zondagmiddag. ‘Ik ging jouw kinderen van school halen’ roept de een tegen de ander ‘want jij had geen tijd.’ Ze laat haar vriendinnetje staan en loopt gedecideerd naar de ingang van het plein. ‘Hallo’ roept ze en ze zwaait enthousiast naar haar denkbeeldige buurkinderen ‘hallo schat, dag lieverd, heb je het fijn gehad?’

Niets

‘Zo moet je niet denken.’ Een man met zn fiets aan de hand leunt over naar een jonge vrouw in een rolstoel. Een oudere vrouw staat zwijgend achter haar. ‘Want het gaat niet om wat je niet meer kunt’ vervolgt-ie zn betoog ‘maar om wat je nog wél kunt, om een positieve levensinstelling.’ Ze is even stil. ‘Ja, maar ik kan helemaal niets meer.’ De jonge vrouw kijkt naar hem op. Haar stem is licht geïrriteerd. ‘Zelfs zitten doet me vreselijk pijn. En elke dag wordt het slechter. Ik wil wel van alles, maar ik kan niks. Niks! En dan moet ik positief zijn?!’
Benieuwd naar hun gezichten, kijk ik om. Ze zien me kijken. Het gesprek valt stil. De sfeer is om te snijden.

Vooronderstelling

Gelukkig, een toilet. Het is een kleine ruimte in een stille hoek van het ziekenhuis met een heren- en een damestoilet en een wastafel. De deur draai ik op slot en ik ontspan me even. Een paar minuten later hoor ik een gezinnetje binnenkomen. De man praat tegen een kind en ik hoor de deur van het damestoilet naast me dicht gaan en op slot gedraaid worden. ‘Mama gaat even plassen’ zegt de man tegen het kind ‘en ik ga jou even verschonen.’ Dan wat harder, zodat het door de deur heen goed te verstaan is ‘mama, pas je goed op zometeen als je de deur opendoet, want wij liggen er vlak voor op de grond de luier te verschonen.’ ‘Goed hoor’ roept de vrouw vanaf het toilet naast me ‘ik zal voorzichtig doen.’ Ondertussen babbelen papa en het kindje door. ‘Je bent helemaal niet vies’ hoor ik hem zeggen. ‘Dat had mama helemaal verkeerd. Zo zie je maar dat je niet moet uitgaan van vooronderstellingen. Ja, papa gaat zometeen ook even plassen. Ha, daar hebben we mama alweer.’
Ik hoor ze vertrekken. Een paar seconden later komt er iemand het toilet binnen, probeert de deur van het herentoilet waar ik zit en kiest daarna voor het damestoilet. Ik rond mn sanitaire bezigheden af en stap naar buiten. Benieuwd naar het gezinnetje, of naar mama en kindje die op papa wachten die nu vermoedelijk op het damestoilet staat te plassen, maar ze zijn in geen velden of wegen te bekennen.

Wielrenners

Stel je voor. Een zomers warm bos. Een breed zandpad met een fietspad ernaast. Ik loop vlak langs het fietspad, vier meter voor me en vier meter naar links loopt een jonge vrouw. Net als ik draagt ze een korte broek en een t-shirtje. Onze honden spelen met elkaar. Soms kijkt ze even om naar haar hond om te zien of het goed gaat. Over het fietspad komen zo nu en dan groepjes wielrenners aangescheurd. Steeds als er zo’n clubje aankomt, roep ik mijn hond en laat hem zitten, zodat ze van ver al kunnen zien dat er geen gevaar is. De jonge vrouw doet hetzelfde. Dus zij staat dan stil, vier meter voor me en vier meter naar links, met haar hond aan haar voet. Ik sta er schuin achter, direct naast het fietspad met mijn hond aan mijn voet en verbaas me over wat ik zie. Alle wielrenners draaien als ze dichterbij komen hun hoofd naar haar toe, op zo’n manier dat ze zo lang mogelijk oogcontact met haar hebben. De een lacht naar haar, een ander trekt een grimas, sommigen roepen nadrukkelijk ‘hallo’ of iets als ‘dankjewel’ of ‘mooie hond’, allemaal zoeken ze contact. Zodra ze naast haar zijn, kijken ze noodgedwongen weer voor zich naar het fietspad en zetten dan direct extra kracht op de pedalen. Mij zien ze niet. Het is grappig en vermakelijk. ‘Voor wielrenners ben ik onzichtbaar geloof ik’ lach ik tegen haar als ze weer omkijkt naar haar hond. Ze doet haar dopjes uit. ‘Wat zeg je?’ vraagt ze.

Ongedierte

‘Al het ongedierte trekt naar zoet’ zegt de man naast me, ik werp een snelle blik op zn gezicht, maar hij kijkt er serieus bij. We lopen in de richting van een snoepwinkeltje, de enige plek in de straat waar het druk is. Zei je nou ‘ongedierte’ vraag ik? ‘Ja’ zegt-ie ‘ongedierte, mieren, kinderen… als er maar iets zoets te vinden is, komen ze er in drommen op af.’

Wachtkamer

‘We gaan hier even zitten.’
‘Oh, zitten, hier? En waarom dan?’
‘We wachten tot we aan de beurt zijn.’
‘Oh. Wachten dus. Heb je ons al aangemeld?’
‘Ja, ik heb de papieren op de balie gelegd.’
‘Oh. Op de balie gelegd. Is dat voldoende?’
‘Ja, er is geen bel, dus iedereen doet dat.’
‘Oh, is er geen bel? En je denkt dat het goed is?’
‘Ja, dat denk ik wel. Dus we wachten even.’
‘Oh, dus we wachten. Waarop ook alweer?’
‘Tot de dokter ons roept.’
‘Oh, ja, heb je ons al aangemeld?’

Blauw

Het talud onderaan een hoge dijk kleurt langzaam helderblauw alsof een onzichtbare kwast met grote halen de stenen van een nieuwe kleur voorziet. Als het kleurproces is afgelopen, weet ik dat ik wakker worden moet. Het gevoel is even dringend en even onontkoombaar als een wekker die afloopt. Geen enkele twijfel. Dus word ik wakker. Zodra ik mijn ogen open doe, vervliegt het weten waarom ik wakker worden moest, lost het gevoel van de urgentie op voor mn hersens er ook maar iets van begrijpen. Het is nog donker. Naast me ligt mn vrouw in diepe slaap. Beneden in de woonkamer snurkt de hond. Licht in verwarring draai ik me op m’n rechterzij en sukkel langzaam weer in slaap.

Beige

Zestigplus. Zwarte schoenen. Beige broek, beige jack, beige pet. Een zwarte paraplu zwaait ritmisch mee in zn linkerhand. Het waait hard. Hij loopt de brug over en komt net voorbij de Duitse grens uit de beschutting van de bomen en het struikgewas en pakt de volle wind. Hij deinst terug, net als ik hem passeer. Ik groet en hij glimlacht: ‘wat een woei, hè?’

Haar

Ik sla het boek open en direct treft me een koffievlek op pagina 1 en 2. Een half uurtje later bespeur ik een haar tussen pagina 43 en 44, het is een fijne haar, ietwat donker en misschien zes centimeter lang. Even dwaal ik af en zie een donkere vrouw die op een warme zomerdag buiten zit te lezen en na een lange zin peinzend opkijkt, geniet van de zon in haar gezicht, ongemerkt een haar verliest en dan het blad omslaat. De haar veilig opgeborgen tussen de pagina’s  tot iemand hem vindt. Wie weet is het boek daarna nog gelezen door iemand die deze pagina’s oversloeg of wellicht de haar expres heeft laten zitten.
Op pagina 69 schuift een klein zwart bolletje over de regels, een spinnetje of iets anders dat daar toevallig even leeft, ik heb het niet op dat beestje en zie al voor me dat het overloopt naar mijn broek of shirt en zich daar naar binnen werkt en verdwijnt tussen mn huidplooien of zich in mn navel nestelt en daar onzichtbaar kleine eitjes legt van vleesetende larven die zich daarna een weg naar binnen vreten, dus ik zet mn wijsvinger naast het kleine bolletje en beweeg mn vinger naar rechts. Het minuscule beestje ontploft onverwacht en laat een langgerekte groene vlek achter onderaan de pagina. Het spoor eindigt in een klein rood puntje.

Ik sla de pagina om -haper soms omdat de vertaling stroeft- en lees:  “mensen zeiden altijd dat iets hen radicaal had veranderd, een ervaring of een boek of een persoon, maar als je wist hoe ze voordien waren geweest was er eigenlijk niet zoveel veranderd. Wanneer je iemand leert kennen die ontzettend aantrekkelijk is, maar niet helemaal volmaakt, zou je kunnen menen dat je hem of haar na het huwelijk zou kunnen veranderen, niet alles, gewoon een paar dingen, maar in werkelijkheid is het maximum dat je kunt verwachten misschien de verandering van één ding en zelfs dat zou uiteindelijk terugkeren naar hoe het vroeger was geweest.”
(citaat uit Gevertje van James Salter)

Toch vind ik het maar raar dat de rimpel boven m’n linkerwenkbrauw overdag niet meer wegtrekt.

 

Luchtalarm

In Duitsland klinkt het luchtalarm, zomaar op een donderdag in juni. Ik zit buiten op het terras achter het huis. Lekker uit de wind en in het zonnetje met mijn favoriete groene thee – de Gyokuro classic. Onwillekeurig kijk ik naar de lucht, maar vliegtuigen zijn er niet te zien. Ik kijk in de richting vanwaar het geluid komt. Min of meer zuidwest. Daar ligt Emlichheim op een kilometer of tien afstand. Even flitst het door mn hoofd dat ik misschien de enige overlevende zal zijn als ik nu wél naar binnen ga en ramen en deuren sluit en eraan denk de stekker van de ventilatie eruit te halen. Maar aan de horizon geen rookwolken, geen groen-paarse gifluchten. De bomen op de grens buigen van me af. De wind komt uit een veilige richting. Ik neem een slok thee. Het is stil. Alleen wat vogels fluiten. In de verte slaat de kerkklok twaalf uur.