Ongedierte

‘Al het ongedierte trekt naar zoet’ zegt de man naast me, ik werp een snelle blik op zn gezicht, maar hij kijkt er serieus bij. We lopen in de richting van een snoepwinkeltje, de enige plek in de straat waar het druk is. Zei je nou ‘ongedierte’ vraag ik? ‘Ja’ zegt-ie ‘ongedierte, mieren, kinderen… als er maar iets zoets te vinden is, komen ze er in drommen op af.’

Wachtkamer

‘We gaan hier even zitten.’
‘Oh, zitten, hier? En waarom dan?’
‘We wachten tot we aan de beurt zijn.’
‘Oh. Wachten dus. Heb je ons al aangemeld?’
‘Ja, ik heb de papieren op de balie gelegd.’
‘Oh. Op de balie gelegd. Is dat voldoende?’
‘Ja, er is geen bel, dus iedereen doet dat.’
‘Oh, is er geen bel? En je denkt dat het goed is?’
‘Ja, dat denk ik wel. Dus we wachten even.’
‘Oh, dus we wachten. Waarop ook alweer?’
‘Tot de dokter ons roept.’
‘Oh, ja, heb je ons al aangemeld?’

Blauw

Het talud onderaan een hoge dijk kleurt langzaam helderblauw alsof een onzichtbare kwast met grote halen de stenen van een nieuwe kleur voorziet. Als het kleurproces is afgelopen, weet ik dat ik wakker worden moet. Het gevoel is even dringend en even onontkoombaar als een wekker die afloopt. Geen enkele twijfel. Dus word ik wakker. Zodra ik mijn ogen open doe, vervliegt het weten waarom ik wakker worden moest, lost het gevoel van de urgentie op voor mn hersens er ook maar iets van begrijpen. Het is nog donker. Naast me ligt mn vrouw in diepe slaap. Beneden in de woonkamer snurkt de hond. Licht in verwarring draai ik me op m’n rechterzij en sukkel langzaam weer in slaap.

Beige

Zestigplus. Zwarte schoenen. Beige broek, beige jack, beige pet. Een zwarte paraplu zwaait ritmisch mee in zn linkerhand. Het waait hard. Hij loopt de brug over en komt net voorbij de Duitse grens uit de beschutting van de bomen en het struikgewas en pakt de volle wind. Hij deinst terug, net als ik hem passeer. Ik groet en hij glimlacht: ‘wat een woei, hè?’

Haar

Ik sla het boek open en direct treft me een koffievlek op pagina 1 en 2. Een half uurtje later bespeur ik een haar tussen pagina 43 en 44, het is een fijne haar, ietwat donker en misschien zes centimeter lang. Even dwaal ik af en zie een donkere vrouw die op een warme zomerdag buiten zit te lezen en na een lange zin peinzend opkijkt, geniet van de zon in haar gezicht, ongemerkt een haar verliest en dan het blad omslaat. De haar veilig opgeborgen tussen de pagina’s  tot iemand hem vindt. Wie weet is het boek daarna nog gelezen door iemand die deze pagina’s oversloeg of wellicht de haar expres heeft laten zitten.
Op pagina 69 schuift een klein zwart bolletje over de regels, een spinnetje of iets anders dat daar toevallig even leeft, ik heb het niet op dat beestje en zie al voor me dat het overloopt naar mijn broek of shirt en zich daar naar binnen werkt en verdwijnt tussen mn huidplooien of zich in mn navel nestelt en daar onzichtbaar kleine eitjes legt van vleesetende larven die zich daarna een weg naar binnen vreten, dus ik zet mn wijsvinger naast het kleine bolletje en beweeg mn vinger naar rechts. Het minuscule beestje ontploft onverwacht en laat een langgerekte groene vlek achter onderaan de pagina. Het spoor eindigt in een klein rood puntje.

Ik sla de pagina om -haper soms omdat de vertaling stroeft- en lees:  “mensen zeiden altijd dat iets hen radicaal had veranderd, een ervaring of een boek of een persoon, maar als je wist hoe ze voordien waren geweest was er eigenlijk niet zoveel veranderd. Wanneer je iemand leert kennen die ontzettend aantrekkelijk is, maar niet helemaal volmaakt, zou je kunnen menen dat je hem of haar na het huwelijk zou kunnen veranderen, niet alles, gewoon een paar dingen, maar in werkelijkheid is het maximum dat je kunt verwachten misschien de verandering van één ding en zelfs dat zou uiteindelijk terugkeren naar hoe het vroeger was geweest.”
(citaat uit Gevertje van James Salter)

Toch vind ik het maar raar dat de rimpel boven m’n linkerwenkbrauw overdag niet meer wegtrekt.

 

Luchtalarm

In Duitsland klinkt het luchtalarm, zomaar op een donderdag in juni. Ik zit buiten op het terras achter het huis. Lekker uit de wind en in het zonnetje met mijn favoriete groene thee – de Gyokuro classic. Onwillekeurig kijk ik naar de lucht, maar vliegtuigen zijn er niet te zien. Ik kijk in de richting vanwaar het geluid komt. Min of meer zuidwest. Daar ligt Emlichheim op een kilometer of tien afstand. Even flitst het door mn hoofd dat ik misschien de enige overlevende zal zijn als ik nu wél naar binnen ga en ramen en deuren sluit en eraan denk de stekker van de ventilatie eruit te halen. Maar aan de horizon geen rookwolken, geen groen-paarse gifluchten. De bomen op de grens buigen van me af. De wind komt uit een veilige richting. Ik neem een slok thee. Het is stil. Alleen wat vogels fluiten. In de verte slaat de kerkklok twaalf uur.

Doorrrrrrrrrrrrrrr

Vandaag heb ik een ontvankelijk hoofd, alles wat ik hoor blijft hangen, she loves you yeah yeah yeah, de wereld draait doorrrrrrrrr, ohra direct geregeld, anyone who has a heart, vaste lage onderhoudsprijzen, het kakelt door elkaar tot ik er moe van ben, het kabaal spontaan vergeet en zowaar een enkel liedje hoor, yes the river knows.

Konijn

Met mes en vork eet ik een bordje sla met feta, appels en druiven. Enthousiast zeggen we tegen elkaar dat het lekker is – en dat is het ook. Dan dwaalt mn blik naar buiten. In het gras naast de schuifpui, bijna naast onze tafel zit een konijn te eten. Zonder mes en vork. Zonder regels en gewoontes. Hij snuffelt aan een paardebloem. Bijt de steel af bij de wortel en werkt-em als een spaghettisliert naar binnen. De gele bloem schuift hapje voor hapje naar de bijtgrage tandjes. Treuzelt bij het bekje, beweegt even heen en weer en verdwijnt dan naar binnen. Gedachtenloos leg ik met mn vingers een druif en wat feta op een blaadje witlof. Pak het met mn linkerhand, schuif het in mn mond. En zucht eens diep.

Even vrijlaten

Tok, tok, tok. Een vlinder fladdert aan de binnenkant langs de schuifpui. ‘Even vrijlaten’ denk ik en doe de schuifpui open. Er waait frisse lucht naar binnen. De vlinder duikt het gat in, vliegt omhoog en bevriest dan in de lucht onder de overhang van het balkon. Spartelt wat. Beweegt licht heen en weer als een boksbal op een springveer. Ik stap achter hem aan naar buiten en kijk omhoog. De vlinder zit vast in de buitenste draad van een prachtig spinnenweb. Even aarzel ik, maar de vlinder is me liever. Met mn linkerhand maai ik omhoog -een sprongetje erbij- en veeg een stukje uit het web. Het plakt aan mn vingers, samen met de vlinder. Met mn rechterhand pluk ik het spinrag weg. Onverwacht komt de vlinder los en valt naar de grond. Daar verdwijnt-ie, half nog in de kleverige draden, druk spartelend in het rooster van de regenwaterafvoer en ritselt nu onzichtbaar en onbereikbaar in het gootje tussen wat overgebleven, half verteerde herfstbladeren.

Kropsla

Een man tuurt aandachtig naar het opkomend groen en zegt ‘aj dit in de tuune hebt, kuj maar ien ding doen… verhuuzn.’ ‘Of opeten’ zeg-ik. Hij kijkt me verbaasd aan.
‘Ik heb gehoord dat zevenblad lekker is als sla’ leg ik uit ‘ik ga het straks proberen.’
‘Tja, aj zo begunt kuj alles we goan eetn’ zegt-ie ‘ze hebt toch zeker de kropsla nie veur niks uitvundn. ’