Hap

De appel waar je net een hap van neemt, maar aan de weerstand van de schil voelt dat er iets niet klopt, dat je dan kijkt en een plakkertje ontdekt dat met minuscule lettertjes probeert een boodschap te vertellen die je niet lezen kunt, maar die waarschijnlijk zegt van welk merk die appel is, waarna je het ding eraf peutert dat dan aan je vingers plakken blijft zodat, als je het aan de rand van de vuilnisbak hebt afschud, je eerst je handen en dan toch ook de appel wast om alle resten plaksel kwijt te zijn voordat je extra attent opnieuw je tanden in de appel zet.

Dag

Zo’n dag, dat je half hardop bedenkt dat je een moeder had. Hoewel er maar weinig aan haar denken doet. Vreemde theedoeken tussen de stapel die al hoog genoeg was, een stofzuiger die ongebruikt op zolder staat, een ikea kastje in de badkamer waar we jarenlang ook zonder konden. Uit haar nalatenschap kwamen vooral dingen van mijn vader die jaren eerder al gestorven is. Oude tekeningen, schetsjes, stillevens op spaanplaat, een gouden CNV-speldje voor 50 jaar trouwe dienst en zowaar de oude boekjes van de BB met wenken voor de bescherming van uzelf en uw gezin. Met die boekjes in de hand inspecteerde hij de kelder en wees aan wie in nood op welke plaats moest zitten. Het noodrantsoen met harde biscuits, bloem, suiker, kaarsen en lucifers stond op de bovenste plank in de slaapkamerkast, zelfs als ik op een stoel stond, kon ik er niet bij. De foto die ik van hem maakte op hun 25-jarig huwelijksfeest en die sinds zijn sterven bij haar op de schoorsteen stond, staat nu op de luidspreker vlak naast mijn bureau. Soms valt mijn blik op hem. Niet eerder was hij zo lang zo dichtbij. Zo’n dag. Dat je je afvraagt hoe een mens onthouden wordt en of het wel iets uitmaakt.

Gin

Op de trottoirs tussen de parkeerplaats en het terras waar ik naartoe wandel, staan tientallen uithangborden. Vandaag schreeuwen ze allemaal om aandacht. Omdat ik vroeg ben voor mijn afspraak, geef ik toe en lees de slogans stuk voor stuk.
Hier het lekkerste broodje gezond.
Herenkleding in grote maten.
De leukste dansschool van de stad.
Yoga voor jou!
Speciale aanbieding: gin & tonic.
Ik proef de uitnodigende zinnen, bedenk er een plaatje bij, speel er even mee en gooi ze dan weer weg. Tenminste dat denk ik.
Op het terras vind ik een lekker plekje, half in de schaduw en met goed uitzicht op alles wat er over de markt flaneert. Net als ik in de verte mijn vrouw aan zie komen, staat de serveerster naast me.
‘Doe maar een gin & tonic,’ zeg ik. En hoor stomverbaasd hoe vreemd mijn woorden klinken. Ik lust helemaal geen alcohol, hoe kom ik er dan bij om gin & tonic te bestellen?
‘Geen thee zoals anders?’ vraagt ze.
‘Ach ja, natuurlijk, thee graag.’
‘De darjeeling?’
‘Lijkt me heerlijk.’

Hap

Heerlijk dit broodje. Eerst eet ik de randen weg en werk mezelf dan lekker langzaam naar het meer dan smakelijke hart, de allerlaatste hap die op voorhand al blij maakt en doet watertanden. Ik zit buiten op het terras en de zon schijnt dat het een lieve lust is. Wespen, hoornaars, muggen zijn druk aan het werk. De laatste hap ligt inmiddels tussen duim en wijsvinger. Ik doe mijn mond wijd open en schuif hem langzaam naar binnen. Een bromvlieg zoemt langs en op hetzelfde moment beweegt er iets aan de onderste rand van mijn blikveld. Ik sluit mijn mond en omvat het broodje. Dan twijfel ik even, want is die vlieg nou mee naar binnen? Uitspugen en kijken is geen optie. Zonde van al die moeite, van zoveel voorpret. Voorzichtig en attent op onverwachte kriebels kauw ik het hapje fijn en slik het door. Dan opgelucht een zucht. Het smaakt prima. Zelfs voor een broodje bromvlieg.

Schuin

Soms hij boven, soms zij. Steeds elkaar omklemd en diep in elkaar verzonken. Ze liggen op de met gras begroeide schuine kant van de IJsselmeerdijk. Hij in de veertig en zij ook zoiets. Hoe lang ze er al liggen, geen idee, maar na een half uurtje is het ineens voorbij. Ze staan op en lopen met de armen om elkaars middel naar een rijtje geparkeerde auto’s, zoenen nog even en slaan elkaar dan speels op de billen. Zij loopt naar een Mercedes-coupé, schikt haar kleren, lacht breed en scheurt binnen een paar tellen weg, rechtsaf richting Almere. Hij draait zich om, opent de kofferbak van zijn Volvo, trekt zijn t-shirt uit – hij is flink te dik met kleine tietjes – spuit wat deo onder zijn oksels en op zijn borst en doet een wit overhemd aan. Dan wisselt hij van schoenen, sluit de achterklep en grabbelt via het openstaande voorportier onder het dashboard. Als hij weer rechtop komt, zie ik tandpasta en een tandenborstel in zijn hand. Zorgvuldig poetst hij zijn tanden, gorgelt met spa blauw, spuugt het uit op de grond en spoelt het witte plakkaat weg met de rest van het water. Hij stapt in. Zijn handen ordenen zijn haar met zo nu en dan een check in de binnenspiegel. Het portier slaat dicht. Hij kijkt op zijn horloge, pakt zijn mobiel en al bellend rijdt hij weg, linksaf richting Lelystad.

!@#$%^&*

De man staat middenop een kruising. Hij zwaait met een rode vlag en mopperend stop ik als hij stug blijft staan. !@#$%^&*, dit past niet in een gepland leven waarin ik op een afgesproken tijd in Lelystad moet zijn. Van rechts nadert een groep motorrijders in gele hesjes. Van achter me komen er ook een paar. Allemaal duiken ze linksaf het verkavelingsweggetje in. Ze geven gas en een van hen maakt snel een wheely. Van rechts komt een politiemotor met blauwe zwaailichten aan, erachter een politieauto, ook met blauwe zwaailichten. Dan een groepje motorrijders met gele hesjes, dan weer een politiemotor. Dan even niks. Dan een auto met racefietsen op het dak. Ver daarachter alweer een motoragent en dan een groepje wielrenners. Ze liggen voorover op hun fiets en trappen zonder op of om te kijken voorbij. Dan weer een poosje niks, gevolgd door weer zo’n rijtje.
‘Wat een hoop politie voor zo’n paar wielrenners,’ mopper ik in mezelf, ‘hebben die echt niks beters te doen?’ Achter me staat inmiddels een motrorijder die niet bij de club hoort. Ongeduldig speelt hij met de gashendel en laat de uitlaat knetteren. Zijn gezicht staat boos en hij praat in zijn helm. Ik versta hem niet, maar zie aan zijn lippen dat elk derde woord een godverdomme is. Hij houdt het niet meer uit, draait om, geeft gas. Een groot peloton wielrenners komt aangereden. Ik pak mijn mobiel en app dat ik wat later ben. Een claxon. Ik kijk op en tot mijn verbazing is de weg weer vrij en sta ik vooraan in een file het verkeer op te houden. De grille van een truck schudt vlak achter mij. Ik steek mijn hand op, mompel ‘sorry’ en geef gas.

Uitlaat

‘Cockie kohom, Cockie kohom, Cockie kohom.’ Een hoge vrouwenstem galmt door het bos. ‘Cockie kohom.’ Achter me is mijn hond druk bezig geurvlaggen uit te zetten om een goede indruk te maken op leuke teefjes. ‘Cockie kohom, Cockie kohom.’ Het klinkt steeds dichterbij en als het pad een bocht maakt, zie ik een mevrouw met een flinke groep honden. Dat kan alleen maar een uitlaatservice zijn. Bij elke derde pas kijkt ze om en roept ze uit volle borst: ‘Cockie kohom, Cockie kohom.’ Zou ze bij dat bestelautootje horen, vraag ik me af. Aan het begin van het bos staat een blauwe Kangoo geparkeerd, met op de zijkant in grote letters een mobiel nummer en een website. In zo’n autootje is achterin ruimte voor één europallet. Ik tel de honden. Negen stuks lopen er bij haar in de buurt en dan is er blijkbaar ook nog een in het bos achtergebleven.
‘Cockie kohom, Cockie kohom.’
‘Passen die allemaal in dat autootje?’ De vraag brandt op mijn lippen, maar ik slik hem in.
Ze kijkt niet op of om als ik langsloop, net zo min reageert ze op mijn groet. Achter me hoor ik grommen. Een groot uitgevallen boxer uit haar groepje staat boven mijn reu te kwijlen. Ik loop door, mijn hond red zich wel. Even later is hij weer vlak achter me. Nog zeker vijf minuten weerklinkt haar hoge stem tussen de bomen. ‘Cockie kohom, Cockie kohom, Cockie kohom.’ Het pad blijft leeg. Geen hond te zien.

Uitkijkpost

Ik rij het kunstmatige heuveltje op en parkeer tussen twee auto’s. Voor me een hek, een spoorlijn, een sloot en weer een hek. Daarachter een lichtgroene vlakte met kaalgevreten boomstammen en hier en daar een flinke poel water. In de verte graast een groepje paarden, een kraai vliegt op. Mijn blik speurt over het terrein, maar blijft nergens hangen. Ik kijk opzij. Links van me een Golf met twee jongens die druk bezig zijn met hun mobiel. Rechts een Volvo met man en een vrouw. Zij staart in de verte. Hij slaapt achter het stuur. Op de vlakte lopen twee herten langzaam langs de afrastering. Ik kijk ze na en voel de ondergaande zon warm op mijn gezicht. Een trein rijdt langs richting Lelystad, een blauw-gele sprinter. ‘Oh ja, die hebben geen toilet,’ denk ik half hardop. In mijn rugzak vind ik een banaan en een appel. Ik kies voor de banaan. De appel is voor straks. Door het open raam hoor ik kinderen gillen. Een vader en twee peuters rennen langs en rollen lachend de heuvel af. Dan is het heel lang stil. De banaan is op en ik hap toch ook maar in de appel. Van ver komen drie runderen aangeslenterd. In zichzelf gekeerd sjokken ze schijnbaar doelgericht naar nergens. De vlakte is weer leeg. Ik kijk opzij. De jongens naast me bewegen hun duimen razendsnel over het toetsenbord. Aan de andere kant nog steeds een man die slaapt. Zij staart in de verte. Ik speur de vlakte nog eens af. Kaal. Leeg. Mager. Schamel. Armetierig. Andere woorden heb ik niet. Van rechts komt de sprinter naar Almere aan. De trein ruist langs, net zo leeg als ik.

Wilkommen im Draussen

Dat belooft een spetterend uitzicht! Op een heuveltop staat een hoge uitkijktoren, vastgeplakt aan een kroeg die er gezellig uitziet. Als ik naar trap loop, glijdt onverwacht een liftdeur uitnodigend open. De avondzon verlicht de twee bedieningsknoppen, BG en etage 6.
‘Naar zes dan maar?’ Een zoem, een snelle stijging en paar seconden later schuiven de deuren open op de zesde etage.
‘Wat een uitzicht!’ Ze loopt naar de railing en richt haar fototoestel naar de verte. Ik zet wat aarzelend een eerste pas en stop dan abrupt. De vloer van metalen roosters laat daglicht door en de grond diep onder mij trekt mijn blik onweerstaanbaar naar beneden. Het staal van de vloer trilt bij elke hartslag en de toren schudt zachtjes heen en weer bij ieder zuchtje wind. Ik scheur mijn ogen los van de diepte en kijk recht vooruit naar de zachtglooiende heuvels. Maar nog steeds voel ik onder me dat gat van zes etages diep. Lachende stemmen en achter me komt een jong stel giechelend de trap omhoog. Hij is als eerste boven, spreidt zijn armen naar het uitzicht, doet drie passen naar voren, kijkt naar beneden en bevriest.
‘Kijk die vloer,’ gilt hij met hoge stem en zet pardoes drie stappen terug. Zijn vriendin is inmiddels ook boven. Even kijkt ze door het rooster naar beneden, dan vermant ze zich en loopt pas voor pas, steeds met een adempauze tussendoor, naar de lage railing, zes meter verderop.
‘Gewoon niet naar beneden kijken, dan gaat het wel,’ roept ze naar achteren. Hij schuifelt naar voren. Als vanzelf zet ik ook een pas. De stalen toren trilt. Ik tril mee. Hij blijft staan. Ik doe een stapje terug. En nog een en nog een. Net voor ik bij de lift ben, sluiten de deuren. Leeg zoemt de lift naar beneden. De toren trilt.

Buitenaards

Over de vloer waait een pluisje. Zou dat een alien zijn, vraag ik me af, een nog niet herkende vertegenwoordiger van buitenaards leven? Ik kijk extra goed naar hem en luister of ik iets hoor, probeer me open te stellen voor een telepatisch contact. Een vreemde levensvorm lijkt het me. Hoe ik daar in godsnaam mee communiceren moet? Maar hij blijft in mijn buurt rondwaaien en lijkt zich soms tot mij te richten. De hond blaft en ik kijk naar buiten wat er aan de hand is. Zet thee. Rommel wat in de keuken. Stofzuig. En als het huis wat schoner is, herinner ik me ineens de alien. Ik zoek hem, maar er is niks meer te vinden. Geen pluis op de vloer. Ik richt mijn blik naar buiten, naar het heelal en zend een korte boodschap. ‘Sorry, even niet opgelet. Als het er echt een was, stuur je dan een nieuwe?’ En vind mezelf ineens aanmatigend en arrogant. Stel je voor dat het hen enorm veel moeite heeft gekost die pluis hierheen te krijgen, dat ze hun voorraaden ervoor hebben uitgeput, al hun kennis hebben ingezet, om dan uiteindelijk niet-herkend in een stofzuigerzak te eindigen. Even weet ik niet meer wat te doen. Dan hoor ik een vertrouwde claxon. Ze is weer thuis met boodschappen voor een week. Ik loop naar buiten. Eerst maar eens helpen sjouwen.

Roze vinger

Ik zuig het landschap op. Eerst door het raam aan deze kant van de trein, daarna door het raam aan de andere kant. Dan weer door dit raam. Door dat. Dit. Dat. Dit. Dat. Ik zie Echten dat ik ken, Koekange met zijn rare naam. Dan de scherpe bocht naar links.
‘Meppel, we naderen station Meppel,’ zegt de speaker. De trein remt langzaam af en in een reflex kijk ik naar voren, naar de wand van de coupé. Meestal zit daar een spiegel, een foto van een poort in Zwolle of een gracht in Amersfoort. Maar in deze trein hangt er iets geks. Een raar plaatje. Een roze vinger wijst schuin naar beneden en een groene grasspriet wijst schuin omhoog. Waar het gras de vinger raakt, zit een diepe snee. Het plaatje plakt en zuigt en trekt. Ik kan mijn hoofd niet meer bewegen, krijg mijn ogen niet meer vrij. Het kan niet wat ik zie. Het is niet echt. Het bestaat niet.
Ik laat mijn lollie vallen en wijs met trillende vinger naar het enge ding
‘Pap, kijk daar, wat is dat?’
Mijn vader kijkt om.
Hij schuift de bank uit, buigt voorover en tast naar zijn leesbril. Van achter zijn rug kijk ik mee.
‘Snijden aan gras,’ leest Pa hardop voor.
Hij draait zich om en duwt mij terug op de bank.
‘Ga even zitten joh, het is druk op het perron, straks is je plekje nog weg.’
Ik ga zitten, maar mijn ogen blijven vastgehaakt aan dat gekke plaatje.
Als de trein allang weer rijdt, herinner ik me ineens mijn lollie. Ik wurm me tussen vier paar benen door naar het gangpad, pak de lollie van de grond, veeg het ergste vuil eraf en stop hem in mijn mond. Terug op mijn plek, tuur ik stilletjes naar buiten. Mijn vingers reflecteren in het raam, met op de achtergrond het gevaarlijk groen van gras.

Bospad

Ik ben de eerste die hier loopt vandaag. Om de paar meter voel ik spinnendraden op mijn gezicht, in mijn stoppelbaard, op mijn blote armen. Ze zijn dik en sterk en bieden weerstand. En als ze knappen -met een hoorbaar plopje soms- kriebelen ze langs mijn neus.
Per ongeluk glijdt mijn blik langs mijn t-shirt naar beneden. Drie dikke spinnen rennen op navelhoogte driftig heen en weer. De grootste lijkt mijn beweging op te merken en klimt zo snel hij kan omhoog in de richting van mijn keel. Met een gerichte beweging tik ik hem van me af. Denk ik. Want het beest grijpt zich vast aan de kleverige draden die nog aan mijn vingers plakken. Ik wapper mijn hand heen en weer en veeg langs de bast van een berkje. Het lukt. De spin rent omhoog langs de stam.

De andere twee spinnen zitten nog steeds op mijn shirt. Bewegingloos alsof ze zich beraden op wat ze zullen doen nu er een minder is. Maar ik geef ze geen kans en schudt de stof heen en weer totdat ze vallen. Met mijn armen als een breekijzer voor mijn gezicht loop ik verder. Later in de auto kijk ik in de spiegel. Spinrag hangt als vergeten grijze haren aan mijn kale kop.

(Hondenwacht plaats ik op woensdag, aflevering 13 vind je hier: http://zeilhelden.nl/2017/04/hondenwacht-13-kreunen-kraken-zingen/)

Maria

De zijdeur kraakt als ik hem dicht doen. De kerk is duister en het ruikt er koud en oud. Verspreid door de kerk zitten drie gelovigen die bidden of mediteren of gevlucht zijn voor de zinderende hitte buiten. Ik kijk op en mijn ogen focussen als vanzelf op het enige lichtpunt in de verder onverlichte kerk, Jezus aan het kruis, aan de muur hoog boven het altaar. In de galerijen staan onverlichte beelden van heiligen. Die vrouw met dat kind op haar arm, dat zal Maria zijn. Katholiek ben ik niet, maar een kerk loop ik vrijwel altijd in en vaak steek ik een kaarsje aan. Ik hou van het meditatieve moment dat dit met zich meebrengt. Even sta ik dan stil bij de kwetsbaarheid van het leven, bij wie er overleden zijn. Langs de donkere houten alkoven loop ik naar Maria. Er branden drie kaarsjes. Bij alle andere heiligen is het helemaal donker. Uit gewoonte zoek ik links en rechts naast het altaar naar de voorraad kaarsen en de lucifers. Nee, niks. Dan valt mijn oog op een gleuf met de afbeelding van een 50 centstuk erboven. Nu ik beter kijk, zie ik helemaal geen kaarsen of waxinelichtjes, er branden drie lampjes. Keurige, gelijkvormige, statische lampjes. De flakkerende kaars die doet denken aan een leven dat toppen en dalen kent, ingeruild voor een elektrisch lampje dat voor 50 cent een kwartier lang brandt. Ik draai me om en loop naar de uitgang. Een smalle straal daglicht valt verblindend fel naar binnen door de boogramen boven de deur. Alsof God zelf meekijkt, net zo verbaasd als ik.

Hondenwacht

‘Tijd, het is tijd, over 5 minuten begint jouw wacht, wakker worden, opstaan!’ Ik schommel woest heen en weer in mijn bed. De boot kraakt en de golven spoelen hoorbaar langs de romp van de boot. Buiten giert de wind door het want en er klappert soms een zeil. Het ongeschoren hoofd van de schipper lacht me toe. Ik hang half in een spanzeiltje langs mijn kooi dat ervoor zorgt dat ik niet uit bed kan vallen. Kleren. Waar zijn mijn kleren. Naast het kussen weet ik mijn muts. Hij voelt wat klam als ik hem opzet. Aan het voeteneind mijn sokken. Ik trek mijn knieën op en schuif mijn benen uit de slaapzak en terwijl de kou langs mijn huid strijkt, trek ik mijn sokken aan, eerst de linker, dan de rechter. Ernaast op een prop weet ik mijn broek, liggend werk ik me erin. Mijn T-shirt heb ik nog steeds aan. Wordt dit de derde dag? Ik slinger mijn benen over het spanzeiltje en grijp me terwijl ik ga staan vast aan de stang naast mijn bed. Als de boot in een golfdal smakt, draai ik om mijn as en en laat me vallen op de bank waar mijn zeilpak ligt. De ademende kunststof ritselt als ik de regenbroek tot over mijn knieën trek. Even sta ik op om balancerend op een been de broek omhoog te krijgen en de bretels over mijn schouders te hijsen. Waar zijn mijn laarzen. Ik laat me op de hellende kajuitvloer zakken en glij over het gladde hout naar de lage kant van de boot. Op de tast vind ik mijn laarzen tussen een boek, drie paar bootschoenen, een pen en een vermiste zonnebril. Met mijn laarzen in mijn linkerhand worstel ik mezelf terug omhoog. De laarzen zijn stroef en vochtig als ik ze aantrek, net als de zeiljas. Op de tast vind ik mijn zwemvest. Het ding voelt zwaar en vochtig en als ik het aantrek rammelen de snaphaken van de veiligheidslijn. Even duwen, dan klikt de sluiting vast. Met als steun de tafel, een ijzeren stang, de kaartentafel en het aanrecht stommel ik naar de deur en klots de vier treden van het trapje op. Het waait nog steeds 25 knopen zie ik op de plotter. ‘Koers 245 graden en ik heb het grootzeil wat meer twist gegeven. Goede wacht!’ Het is donker. Hier en daar knippert een baken. De wind jaagt de regendruppels fel in mijn gezicht.

Ruis

Een boer, een eindje verderop, sproeit mest over zijn akker. Nee, nodig ben ik daarbij niet, denk ik terloops en zomaar snap ik dat ik overbodig ben, nergens nodig ben, behalve misschien hier en nu, omdat anders niemand hoort hoe mooi de wind ruist door het hoge riet. Of zou ook dat zonder mij gewoon gebeuren? Nee, ik ben niet nodig. Alles vindt zijn weg ook als ik zou vervagen of zomaar op een dag verdwijn. Alles gaat heel gewoon zijn gang. Misschien rimpelt het water en zegt iemand dat ik eerder ging dan was verwacht of dat ik wat afwezig was de laatste tijd.
Maar ik droomde dat met mij de wind verdween die hier het riet zo mooi liet ruisen. Schrik wakker. Schud duizend druppels van me af.