Hijgend hert

‘Man, wat zit ik hier verschrikkelijk uit te puffen, voel me net het hijgend hert der jacht ontkomen.’ Een vrouw naast me in de sportschool stoot buiten adem deze woorden uit. Ze ziet me verbaasd naar haar kijken.
‘Ja, dat is een hele gangbare uitdrukking bij ons thuis’, zegt ze, ‘mijn dochter zei het laatst ook toen ze op de fiets bij ons op bezoek kwam. Ik zei nog tegen haar: dat heb je niet van een vreemde. Ik ken het hele lied en ook al die andere oude psalmen en gezangen.’
Ik zeg niks, maar in mijn hoofd repeteer ik de woorden die ik vroeger op de School met den Bijbel uit mijn hoofd moest leren, ’t Hijgend hert der jacht ontkomen / Schreeuwt niet sterker naar ’t genot / Van de frisse waterstromen / Dan mijn ziel verlangt naar God / Ja, mijn ziel dorst naar de Heer… daar stopt het. Het volgende zinnetje ben ik kwijt, weet alleen nog dat het eindigt met ‘ach wanneer.’ Ondertussen trap ik door op het fietsapparaat. Vijftien minuten 130 watt. Ik hijg en puf. Dat ik nog wielrenner word, zit er niet in.

Lang

‘Goedemorgen,’ zegt hij, een lange man op laarzen op het modderige bospad die drie meter achter zijn hond loopt.
‘Goedemorgen,’ zegt zij, een kleine vrouw op laarzen op het modderige bospad die een paar passen achter hem loopt en soms volledig achter hem verdween toen ik ze uit de verte aan zag komen en even niet zeker wist of er een of twee mensen liepen. Het is een lang woord, goedemorgen, onuitspreekbaar lang.
‘Moi,’ groet ik ze terug, maar spreek het langzaam uit zodat het niet kort klinkt. Niet onbeleefd kort klinkt. De honden ruiken aan elkaar. Steken hun staart omhoog.

Kier

Zachtjes tikt de wekker. Waarom duld ik dat geluid toch naast me? Het is een dunne gedachte die niet stoort of zeurt en ik laat hem gaan. Diep in mijn oren ruist een beek. Ik beweeg een been, voel de kilte van een nog onverwarmd deel van de matras en schuif het been weer terug. Wakker worden wil ik niet en ik omzeil de daggedachten die klaar staan om me te bespringen. Terwijl ik van ze wegkijk, draai ik op mijn andere zij en trek het dekbed strak rond nek en hals zodat er geen koude kieren zijn. Dan zoek ik naar de slaap, laat los wat ik nog denk en reis in golfjes naar mijn voeten, voel mezelf verloren raken. Nooit, nee nooit kwam ik er aan.

Watashi wa

De Japanner fietst voorbij, steeds als ik hier mijn hond uitlaat. Hij zingt, altijd zingt hij. De klanken klinken vrolijk, hij steekt zijn hand op, zingt me toe, zingt langs me heen. Ik knik als groet want zingen kan ik niet. Misschien een liedje fluiten dat als vanzelf weer stopt als iemand zoekend opkijkt of op hoor-afstand te komen lijkt. Watashi wa nihongo ga kanō to utaitaidesu. Ik wil wel een Japanner zijn en zingen.

Farewell

Farewell, farewell, het lied sluipt stiekem binnen. Verstopt zich in mijn brein en laat zich daarna horen als ik douche, onderweg ben in de auto, terwijl ik mailtjes typ, zelfs als ik wakker schrik vind ik nog steeds dat lied. Het zeikt en zeurt, slijt gaten in mijn hoofd. Farewell, farewell. Ik google de woorden omdat het nog dagenlang mijn metgezel zal zijn. En nu ik toch de melodie al ken, de woorden voor me zie, moest ik misschien ook maar de akkoorden leren. Farewell, farewell. C G D. En ik zing zachtjes mee.

Oude liefde

Hand in hand stappen twee vijftigers de havenkroeg binnen.
‘Wat wil je eten?’ vraagt hij aan haar.
Het antwoord versta ik niet en mijn blik dwaalt naar buiten. Even later loopt de serveerster naar hun tafel.
‘Twee keer krotetten bruin brood, eet smakelijk,’ klinkt het geroutineerd.
Allebei schuiven ze het bord naar zich toe. Allebei een flesje rivella voor zich, allebei met een rietje.

Vrolijk lied

Ik verstop mezelf in woorden, in een vrolijk lied dat uit volle borst gezongen, tussen de bergen galmt en door het dal waarvan ik weet dat jij er woont en op deze mooie najaarsavond voor je huisje buiten zit en luistert naar de geluiden uit de verre bergen, opkijkt als tussen het zingen van de vogels een klank je oor beroert en woorden gonzen die van ver je hart ontwaken laten, zodat je opstaat en mijn klanken terugfluit naar de bergen, waar ik als ik ze hoor op mijn beurt nieuwe woorden zing van vrolijkheid en groot geluk en door het struikgewas een weg zoek naar het dal waar jij voor je huis naar de vogels luistert en soms, als je geraakt wordt door een klank, een fluit pakt en jouw geluid terugspeelt, toevoegt aan de bergen waar ik langzaam naar beneden klauter om straks voorgoed mijn adem vrij te laten in een lied, tweestemmig in een prachtig lied.

Vrijdagavond 17 november om 20.00 uur lees ik voor in café Perkaan te Wezup, samen met Harm Sijnstra. Ruud Fieten zorgt voor de muziek. Entree 10 euro contant. Check www.drentseschrieverskring.nl > de Perkaansessies. Reserveren kan via omvleehaverkate@home.nl.

Frambozen

Een voor een in mijn mond. Lekker. Een tikje zoet, een tikje zuur. Maar ongeduldig als altijd, prop ik er acht tegelijk in mijn mond. Waar ze, als ik mijn kaken sluit, gewillig exploderen in een vulkaan van smaak, een orgie van welbevinden, een felle brand die het huis in een paar seconden slechts verteert. Smaakverzadigd kijk ik voor me uit. Het groen van het grasland schittert in het zonlicht na de regen van vannacht.

Verbonden

Hij ploft naast haar neer. Ze glimlacht breed, pakt zijn hand en legt die op haar dijbeen en vleit haar hand erbovenop. Hij laat het toe, maar kijkt wat schutterig voor zich uit. Ze neigt opzij tot hun schouders elkaar raken. Reikt met haar andere hand voor hem langs en strengelt haar vingers tussen die van zijn nog vrije hand. Driedubbel verbonden verlicht ze de hele treincoupé. Ik doe wat ik het liefste doe en kijk naar buiten naar het langsglijdende landschap. Maar via hun reflectie in het raam blijven ze in beeld. Ze kletsen wat losse zinnetjes over een schoolfeest en vroeg opstaan, spelen een spelletje met de duimen van hun ineengestrengelde handen en raken elkaar steeds vaker aan. Even schopt zijn voet per ongeluk tegen de mijne. Als ik opkijk, kijkt hij verontschuldigend naar me. Ik glimlach. En alsof hij toestemming nodig had, geeft hij haar een snelle zoen op haar wang.

Steek

Op de linkerbaan schieten snellere auto’s me voorbij. Het is een late, donkere avond. Honderd rij ik, tijd genoeg. Van links naar rechts beweegt er iets over de voorruit. ‘Tjonge, die heeft sterke poten,’ zeg ik half hardop, ‘want de druk van de wind moet gigantisch zijn.’ Losjes wandelt het insect door. Een spin? Een spin. Kan dat? En dan op een helder moment snap ik het. Het beest zit aan de binnenkant. Ik zet de radio aan en laat mijn gedachten gaan waarheen ze willen. Dan kriebelt er iets in mijn linker broekspijp achter mijn knie. Ik buig half onder het stuur door en wrijf met volle hand over de stugge stof van mijn broek. Een felle steek. Ik vloek. Parkeerplaats. Deur open. Riem los. Broek los. Broek uit. In mijn onderbroek sta ik in het licht van mijn koplampen en schud mijn broek leeg. Wrijf wantrouwig over mijn huid. Strek mijn been half naar achteren en zoek over mijn schouder naar de beet. Een rode bult. Geen beest te zien.

Zeker

Terwijl zij boodschappen doet, wacht ik met draaiende motor, dubbel geparkeerd in een drukke winkelstraat. Al snel komt ze de winkel uit en stapt gedecideerd in de auto voor me, die ook dubbelgeparkeerd staat te wachten. Hij rijdt weg en verdwijnt in het verkeer. Stomverbaasd blijf ik staan en wacht. Even later komt ze de winkel uit, opent het portier en stapt bij mij in de auto. Behoedzaam rij ik weg. Ik zeg niets. Wat zou ik kunnen zeggen. Ze was het, ik weet het zeker, maar ze was het ook heel zeker niet.

Ochtendwandeling

De leeuweriken, onzichtbaar in de lucht, piepen en knorren als een ruis uit het heelal, een licht gestoorde radiozender, een boodschap uit de tijd die ik niet -of niet meer- kan verstaan. Of zingen ze dat ik er weer eens niets van heb begrepen? Een blinde vlieg steekt door mijn veel te dunne huid. Langzaam zwelt de bult en verkleurt naar rood met witte kern. Mijn blote armen lokken alles wat kan prikken, mijn blauwe shirt schreeuwt hier is bloed, warm bloed onder een fris en pas gewassen vel. Een wandelend ontbijt met kant-en-klare hapjes.

Alle Hondenwachten als gratis e-boek

foto: Peter Veen
Eén of meer Hondenwachten nog een keer teruglezen?
De tekst van alle gepubliceerde Hondenwachten is gebundeld in een gratis e-boek.
Als extra zijn er tien nieuwe Hondenwachten opgenomen, plus vijftien zeefoto’s van Noordzee, Kanaal en Golf van Biskaje.

Het e-boek is geschikt voor mobiel, tablet, e-reader en pc. 100% gratis dus haal het op!
Check http://peterveen.nl en kijk onder het kopje Gratis.

Veel plezier!
Peter Veen

Hondenwacht 36 (Slot) – Mensenvlees

foto: Peter Veen
De man naast me is veel te dik voor de Transaviastoel. Mijn rechterschouder drukt in zijn weke vlees en bij elke beweging van mijn arm prikt mijn elleboog in de vetrollen rond zijn ribben. Geïrriteerd kijkt hij opzij en zucht dan diep.

Vier uur lang tot elkaar veroordeeld. Ik zit klem tussen hem en het raam, hij zit klem tussen mij en zijn vrouw. Zijn vrouw hoest elke paar minuten in een vast patroon van vijf korte kuchjes en dan met open mond een rocheltje.

Nog voor we opstijgen bestuderen ze de menukaart en overleggen wat de vorige keer ook alweer zo lekker was. Tapas. Het was de tapas. Als de purser langskomt met zijn etenskar, bestellen ze geroutineerd een vlees- en kaasselectie en een ice-tea. Hij hijgt. Hij hoest. Hij rochelt. Zij hijgt. Zij hoest. Zij rochelt. Hij scheurt de tapasverpakking open. De geur van chorizo is allesoverheersend.

Ik onderdruk een vloek en kijk dan naar mezelf. Doorgezwete oksels, een wekenlang gedragen broek, oude leren laarzen met stalen neuzen en stinkende Portugese schapenkaas in de rugzak tussen mijn voeten. Vast en zeker ben ik voor mijn buren ook een bron van stank en irritatie. Mijn zitbotjes doen pijn en ik voel me ongemakkelijk.

Het vliegtuig is bomvol, benauwd, vol herrie, en ik heb genoeg van dat warme mensenvlees naast me dat ik niet vermijden kan. Ik doe muziekdopjes in mijn oren, met een actief ruisfilter moeten ze de helft van de herrie tegenhouden. De muziek laat ik uit. Even zien of ik kan slapen. Dan beweegt mijn buurman weer en drukt zijn dijbeen warm en zacht tegen het mijne.

Net als ik overweeg om hem een por te geven, klinkt uit de speaker dat we vanaf nu de daling inzetten naar Schiphol. Het vliegtuig schudt even heftig als we de wolken in duiken. Achter me ruik ik kots. Nog twintig minuten.

Hondenwacht 31 – Een zachte huivering

tekening: Sabine Liedtke

‘We gaan een knoopje harder,’ zeg ik. Daar heb ik geen snelheidsmeter meer voor nodig. De helling en het geluid van hoe de boot door het water snijdt, zeggen genoeg.

Ik verzeil, verboot, mijn buitenkant word langzaam de huid van het schip. Alle impulsen rechtstreeks doorgegeven van de polyester scheepswand naar mijn kouwelijke kippenvel. Meer helling voel ik in mijn buik, meer wind rond mijn maag, in een vlaag kromt mijn rug om daarna beetje bij beetje rechtop te komen en de extra druk om te zetten in snelheid.

Ik verword tot boot, tot zeil. Oh, span mijn vallen, regel mijn schoten, zodat ik naar de overkant kan stormen om daar mijn liefste te begroeten. Eindelijk haar lippen weer mag proeven als een streling op mijn tong, een zachte huivering die hoorbaar is in het trillen van de mast.

Oh, leg mij vast aan tros en spring zodat ik op mijn plek blijf naast mijn lief, zodat haar huid mij raakt en zij liefkozend meedeint op de golven die vanuit een verre oceaan de boot bewegen doen.

Gratis e-book! De tekst van de 36 gepubliceerde Hondenwachten is verzameld in een gratis e-book, samen met tien nieuwe overpeinzingen en vijftien zeefoto’s van Noordzee, Kanaal en Golf van Biskaje. Je kan het ophalen via http://peterveen.nl. (Kijk onder het kopje Gratis.)