Hondenwacht 32 – Op vol vermogen

foto: Peter Veen

Buiten bereik. Mijn mobiel schreeuwt om contact, zendt op vol vermogen de boodschap uit dat ik er ben en dat ik praten wil, wil appen, sms-sen, het weer bekijken. Maar er is niks. Geen service, zegt het scherm al de hele dag. Het driehoekje dat de ontvangst aangeeft, is leeg.

Geen puntje, geen stipje, alleen een flauwe contour die laat zien dat het anders kan, alleen niet hier en nu, niet vandaag nu ik je wil vertellen dat er sterren zijn, dat de maan vol is en het water glanzen laat, dat een vriendelijke wind ons comfortabel voortblaast, dat het fris is aan dek, dat ik graag even naast je zitten zou en me warmen aan je hand, je wangen, je lippen.

Het derde uur begint en ik zit aan de kaartentafel te werken op mijn tablet. Ik tik het woordje ‘een’ en de spelling suggereert om door te gaan met ‘dooie’, ‘vrouw’ of ‘zeilboot’.

Ik wilde schrijven: een passagiersschip aan de horizon. In gedachten ben ik daar aan boord en dans terwijl het orkest enthousiast een walsje speelt.

Het is een overval. In een paar minuten trekt de wind aan van een gemoedelijke twaalf knopen naar vierentwintig en meer. Voorspeld was het niet. ‘Even aankijken,’ zegt de schipper, maar vijf minuten later is de wind alleen maar harder geworden. We halen de kluiver weg, reven het grootzeil en stuiven door de golven.

Hondenwacht 31 – Een zachte huivering

tekening: Sabine Liedtke

‘We gaan een knoopje harder,’ zeg ik. Daar heb ik geen snelheidsmeter meer voor nodig. De helling en het geluid van hoe de boot door het water snijdt, zeggen genoeg.

Ik verzeil, verboot, mijn buitenkant word langzaam de huid van het schip. Alle impulsen rechtstreeks doorgegeven van de polyester scheepswand naar mijn kouwelijke kippenvel. Meer helling voel ik in mijn buik, meer wind rond mijn maag, in een vlaag kromt mijn rug om daarna beetje bij beetje rechtop te komen en de extra druk om te zetten in snelheid.

Ik verword tot boot, tot zeil. Oh, span mijn vallen, regel mijn schoten, zodat ik naar de overkant kan stormen om daar mijn liefste te begroeten. Eindelijk haar lippen weer mag proeven als een streling op mijn tong, een zachte huivering die hoorbaar is in het trillen van de mast.

Oh, leg mij vast aan tros en spring zodat ik op mijn plek blijf naast mijn lief, zodat haar huid mij raakt en zij liefkozend meedeint op de golven die vanuit een verre oceaan de boot bewegen doen.

Gratis e-book! De teksten van de Hondenwachten zijn verzameld in een gratis e-book, samen met vijftien zeefoto’s van Noordzee, Kanaal en Golf van Biskaje. Je kan het ophalen via http://peterveen.nl. (Kijk onder het kopje Gratis.)

Hondenwacht 30 – Geef me storm!

schilderij: Ingrid Simons

De boot slaapt onrustig. Ze rolt zich van haar ene op haar andere zij en waggelt met haar kont naar de golven. Ik lig in bed en schuif van de ene naar de andere kant, in mijn beweging gestuit door de wand of het zeiltje dat ervoor zorgt dat ik niet uit bed kan vallen.

‘Wind?’ vraag ik over mijn schouder waar ik de schipper weet achter de kaartentafel. ‘Zo’n 24 knoop, recht van achteren, dus we varen nog steeds alleen op kluiver en fok.’
Dat is best te doen. Hoewel misschien niet een allereerste dag op zee, maar we zijn al weken onderweg. Het rollen en draaien is hooguit wat oncomfortabel als ik erop let. Het is 15 graden met een luchtvochtigheid van 85%. Rilweer. En voor de tweede keer deze week verveel ik me. De zee is mooi, maar de dagelijkse foto wordt plichtmatig. Nee, niet naar mijn zin vandaag.

De wind waait de kajuit in en verkilt alles wat bloot of onbedekt is en het zeilen ben ik zat. Weer water, opnieuw golven, nog meer windstiltes -geef me wind en storm, zodat het schip vooruit stuift en zich dapper door de golven stort- en al die korte nachten. Ik ben moe en wil blijven liggen, wil slapen in mijn warme slaapzak, zonder wind rond mijn hoofd, zonder kippenvel op mijn armen en met warme, droge benen. Ik droom dat ik mag blijven liggen, dat mijn hoofd mag rusten, dat mijn ogen nog niet open hoeven.

Tijd voor land. Een paar dagen nog.

(PJ Harvey – Is that all there is? https://www.youtube.com/watch?v=O0ZUAorP0b4)

Hondenwacht 29 – Snuiven naast de boot

schilderij: Manu Baeyens
Kiezen moet. Het kan niet anders. Want dit schip vaart de wereld rond en ik ben aan boord. Dus als ik niet kies om ergens af te stappen, reis ik mee naar Marokko, de Canaries, Barbadeos, de Cariben, Panama, Galapogos en verder, verder. Altijd is er een volgende bestemming, een volgend traject, een nieuwe zee, een andere oceaan, weer een eiland, weer een haven, weer een nieuwe lucht, een nieuw soort blauw in het water, een nog witter zeil aan de horizon.

Deze reis heeft voor mij geen logisch einde, er is alleen een keuze, een besluit om te stoppen. Een plan heb ik niet. Dus wacht ik tot ik voel dat het genoeg is, dat ik verzadigd ben en stop met eten. Nee dank je, geen toetje, nee ook geen koffie met chocolade, het was heerlijk, dank u, maar ik ben voldaan. Dan pak ik mijn tas in en ga van boord. Zonder spijt, maar in de zekerheid dat ik als ik had gewild nog ruim een jaar mee had kunnen reizen. Dan stop ik om weer een ander leven te gaan leiden, om mijn leven door te leven, zonder boot, zonder zee, aan wal, op vaste grond. Is dat een keuze?

Buiten als ik de nachtlucht diep inhaleer, snuift er iets naast de boot. Ik zie een zog dat oplicht als het ons snel voorbij zwemt, onder de boot doorduikt en aan de andere kant in een golf weer boven komt.

Hondenwacht 28 – Porren bij meer dan 20 knopen wind

foto: Peter Veen

Wachtinstructie: de schipper porren bij meer dan 20 knopen wind, bij hoge golven en als de koers sterk verandert. De kust is ver weg en we varen ruim langs alle kapen en gaten. Koude vingers heb ik en mijn broek voelt klam onder het zeilpak. Dit bootleven kan ik jaren volhouden, maar de vraag is of me dat iets brengt. Zee, een haven, slapen, boodschappen doen, vertrek, zee, en zo door. De verveling gecamoufleerd door een strakke dagelijkse routine, 4 uur op en 4 uur af, door slaapgebrek steeds vaker een slecht humeur, een groeiende klussenlijst. Een boot laat geen nietsdoen toe. Maar of niet-nietsdoen nou een zinvol doel is in een leven?

De zee klinkt sponzig en ik wil zien hoe het water eruit ziet waar we nu op varen. Met een lamp schijn ik het donker in. Het licht verdwijnt in het grote zwarte gat van de nacht. Alleen vlak naast de boot kan ik iets onderscheiden, warrig water, met een kroon van schuim, koffie met uitgelopen room. Ik leg de lamp weer terug in het vakje naast de kaartentafel en pak mijn mobiel om de weersverwachting van 02.00 binnen te halen. We zijn buiten bereik, alleen noodoproepen staat er op het scherm.

De Cape York laat zich zien, een vrachtschip van tweehonderd meter lang. Volgens de ais komt hij vlak langs ons. Ik zie zijn groene boordlicht op onze rode kant. Aanvaringsgevaar. Een flinke windvlaag is voldoende om ons in zijn flank te boren. Hij moet wijken, ruimte geven, maar hij houdt stug zijn koers. Even flauwt de wind, dan een woeste vlaag en de punt van de boot richt zich als een torpedo midscheeps op het vrachtschip.

‘Een witbiertje als je hem nog weet te raken,’ lacht de schipper die ik voor de zekerheid gepord heb. Hij duikt zijn bed weer in voor een laatste uurtje slaap. De lichten van het vrachtschip verdwijnen langzaam uit zicht. Een half uur later, ruikt het nog steeds naar diesel.

Hondenwacht 27 – Eelt en zout

tekening: Juul Kraijer (Juul exposeert tot 3 september in Huis Marseille Amsterdam)

Ze worden anders. Mijn soepele, fragiele tekstschrijvershanden veranderen. Stijf zijn ze als ik opsta. Stokjes. Takjes, die onbuigbaar aan een boom hun functie zouden hebben, maar mij verrast mijn handen laten inspecteren.

Dikker lijken ze dan vroeger, stijver en op een rare manier gevoeliger. Het schuren van de natte vallen, touwen, meerlijnen zorgt voor een groeiend laagje eelt dat er onder een lamp wat doffig uitziet. En ze zijn zout. Steeds als mijn lippen per ongeluk mijn handen raken, proef ik zout. Een zweem als ik al een poosje binnen ben, onverwacht heftig als ik buiten een lijn opschiet die nat is van het buiswater. Handen wassen helpt niet, dus ik laat het maar zo. Zonde van het schaarse zoete water en binnen tien minuten is het zout weer terug.

Mijn haar voel zachter nu, met deze vingers, en heeft een nieuwe structuur. Niet meer stug als uitgegroeide stekels, maar zijdezacht en ongrijpbaar vlassig als van een baby of een oude moeder. Gevoeliger voor de tegendruk van wat hard is. Ongevoeliger voor de zachte huid van hond en vrouw.

(Meer Hondenwachten in combinatie met kunst? Check http://zeilhelden.nl/?s=hondenwacht)

Zong

‘Ik hoor prachtig zingen,’ zegt een jonge vrouw.
Ze leunt tegen een betaalautomaat in de smalle straat en kijkt me onbevangen aan.
‘Echt prachtig zingen.’
Ik spits mijn oren, maar het is stil om me heen. Alleen mijn eigen stem galmt door mijn hoofd.
‘Ik hoor niks,’ zeg ik en wil verder lopen.
‘Van je vader.’
Het klopt, die zong, maar hij is dood. Ik spreek de zin niet uit maar zie de woorden naar haar reiken.
‘Ja, die is dood,’ zegt ze, ‘dus nou doe jij het. Ooit zongen jullie heel mooi samen, het was met kerst.’
Haar hond die op haar arm zit, lacht naar me. Maar als ik beter kijk, is het een kat.
Net als ik haar wil vragen wie ze is, voel ik achter me haar man.
‘Ga je mee?’ vraagt hij en ze knikt.
De sfeer vervliegt, mijn vraag lost op.
Terwijl ik in gedachten het gesprek herhaal en inbrand in mijn brein, word ik langzaam wakker. En bang de woorden te vergeten, sta ik op, schiet wat kleren aan en noteer snel alles wat ik me herinner. Ik lees het nog eens terug en vraag me af of er een boodschap is. Of er misschien een boodschap was. Mijn ogen dwalen naar de klok. Zes uur tien. Het is nog veel te vroeg.

Vrij

‘Er staat een hek rond de wei, dus mij maakt het niet uit wat ze doen, als ze maar vreten en gezond zijn als ik ze laat slachten. En of ze nou van hiphop houden of van klassiek, rechts denken of links, communist zijn of fascist, ze doen maar.’
Zei de boer dat, was het god, een stem in mij?
‘Dus eigenlijk zijn ze vrij.’
‘Dat zijn ze, ja, dat zijn ze.’
Zijn lach blies als een stormwind om me heen en joeg het kippenvel op mijn armen. Want wat, dacht ik, als deze wereld onze weide is. Dat het niet mijn vlees is waarop wordt gewacht, maar dat iets mijn ziel uitvreet zodra ik sterf. En dat ik dan beroofd van elke schat tot stof verwaai, oplos in een leeg en koud heelal.
Als ik aan zoiets denk, ben ik bang. Ja, dat zei ik. Bang.

Hap

De appel waar je net een hap van neemt, maar aan de weerstand van de schil voelt dat er iets niet klopt, dat je dan kijkt en een plakkertje ontdekt dat met minuscule lettertjes probeert een boodschap te vertellen die je niet lezen kunt, maar die waarschijnlijk zegt van welk merk die appel is, waarna je het ding eraf peutert dat dan aan je vingers plakken blijft zodat, als je het aan de rand van de vuilnisbak hebt afschud, je eerst je handen en dan toch ook de appel wast om alle resten plaksel kwijt te zijn voordat je extra attent opnieuw je tanden in de appel zet.

Dag

Zo’n dag, dat je half hardop bedenkt dat je een moeder had. Hoewel er maar weinig aan haar denken doet. Vreemde theedoeken tussen de stapel die al hoog genoeg was, een stofzuiger die ongebruikt op zolder staat, een ikea kastje in de badkamer waar we jarenlang ook zonder konden. Uit haar nalatenschap kwamen vooral dingen van mijn vader die jaren eerder al gestorven is. Oude tekeningen, schetsjes, stillevens op spaanplaat, een gouden CNV-speldje voor 50 jaar trouwe dienst en zowaar de oude boekjes van de BB met wenken voor de bescherming van uzelf en uw gezin. Met die boekjes in de hand inspecteerde hij de kelder en wees aan wie in nood op welke plaats moest zitten. Het noodrantsoen met harde biscuits, bloem, suiker, kaarsen en lucifers stond op de bovenste plank in de slaapkamerkast, zelfs als ik op een stoel stond, kon ik er niet bij. De foto die ik van hem maakte op hun 25-jarig huwelijksfeest en die sinds zijn sterven bij haar op de schoorsteen stond, staat nu op de luidspreker vlak naast mijn bureau. Soms valt mijn blik op hem. Niet eerder was hij zo lang zo dichtbij. Zo’n dag. Dat je je afvraagt hoe een mens onthouden wordt en of het wel iets uitmaakt.

Gin

Op de trottoirs tussen de parkeerplaats en het terras waar ik naartoe wandel, staan tientallen uithangborden. Vandaag schreeuwen ze allemaal om aandacht. Omdat ik vroeg ben voor mijn afspraak, geef ik toe en lees de slogans stuk voor stuk.
Hier het lekkerste broodje gezond.
Herenkleding in grote maten.
De leukste dansschool van de stad.
Yoga voor jou!
Speciale aanbieding: gin & tonic.
Ik proef de uitnodigende zinnen, bedenk er een plaatje bij, speel er even mee en gooi ze dan weer weg. Tenminste dat denk ik.
Op het terras vind ik een lekker plekje, half in de schaduw en met goed uitzicht op alles wat er over de markt flaneert. Net als ik in de verte mijn vrouw aan zie komen, staat de serveerster naast me.
‘Doe maar een gin & tonic,’ zeg ik. En hoor stomverbaasd hoe vreemd mijn woorden klinken. Ik lust helemaal geen alcohol, hoe kom ik er dan bij om gin & tonic te bestellen?
‘Geen thee zoals anders?’ vraagt ze.
‘Ach ja, natuurlijk, thee graag.’
‘De darjeeling?’
‘Lijkt me heerlijk.’

Hap

Heerlijk dit broodje. Eerst eet ik de randen weg en werk mezelf dan lekker langzaam naar het meer dan smakelijke hart, de allerlaatste hap die op voorhand al blij maakt en doet watertanden. Ik zit buiten op het terras en de zon schijnt dat het een lieve lust is. Wespen, hoornaars, muggen zijn druk aan het werk. De laatste hap ligt inmiddels tussen duim en wijsvinger. Ik doe mijn mond wijd open en schuif hem langzaam naar binnen. Een bromvlieg zoemt langs en op hetzelfde moment beweegt er iets aan de onderste rand van mijn blikveld. Ik sluit mijn mond en omvat het broodje. Dan twijfel ik even, want is die vlieg nou mee naar binnen? Uitspugen en kijken is geen optie. Zonde van al die moeite, van zoveel voorpret. Voorzichtig en attent op onverwachte kriebels kauw ik het hapje fijn en slik het door. Dan opgelucht een zucht. Het smaakt prima. Zelfs voor een broodje bromvlieg.

Schuin

Soms hij boven, soms zij. Steeds elkaar omklemd en diep in elkaar verzonken. Ze liggen op de met gras begroeide schuine kant van de IJsselmeerdijk. Hij in de veertig en zij ook zoiets. Hoe lang ze er al liggen, geen idee, maar na een half uurtje is het ineens voorbij. Ze staan op en lopen met de armen om elkaars middel naar een rijtje geparkeerde auto’s, zoenen nog even en slaan elkaar dan speels op de billen. Zij loopt naar een Mercedes-coupé, schikt haar kleren, lacht breed en scheurt binnen een paar tellen weg, rechtsaf richting Almere. Hij draait zich om, opent de kofferbak van zijn Volvo, trekt zijn t-shirt uit – hij is flink te dik met kleine tietjes – spuit wat deo onder zijn oksels en op zijn borst en doet een wit overhemd aan. Dan wisselt hij van schoenen, sluit de achterklep en grabbelt via het openstaande voorportier onder het dashboard. Als hij weer rechtop komt, zie ik tandpasta en een tandenborstel in zijn hand. Zorgvuldig poetst hij zijn tanden, gorgelt met spa blauw, spuugt het uit op de grond en spoelt het witte plakkaat weg met de rest van het water. Hij stapt in. Zijn handen ordenen zijn haar met zo nu en dan een check in de binnenspiegel. Het portier slaat dicht. Hij kijkt op zijn horloge, pakt zijn mobiel en al bellend rijdt hij weg, linksaf richting Lelystad.

!@#$%^&*

De man staat middenop een kruising. Hij zwaait met een rode vlag en mopperend stop ik als hij stug blijft staan. !@#$%^&*, dit past niet in een gepland leven waarin ik op een afgesproken tijd in Lelystad moet zijn. Van rechts nadert een groep motorrijders in gele hesjes. Van achter me komen er ook een paar. Allemaal duiken ze linksaf het verkavelingsweggetje in. Ze geven gas en een van hen maakt snel een wheely. Van rechts komt een politiemotor met blauwe zwaailichten aan, erachter een politieauto, ook met blauwe zwaailichten. Dan een groepje motorrijders met gele hesjes, dan weer een politiemotor. Dan even niks. Dan een auto met racefietsen op het dak. Ver daarachter alweer een motoragent en dan een groepje wielrenners. Ze liggen voorover op hun fiets en trappen zonder op of om te kijken voorbij. Dan weer een poosje niks, gevolgd door weer zo’n rijtje.
‘Wat een hoop politie voor zo’n paar wielrenners,’ mopper ik in mezelf, ‘hebben die echt niks beters te doen?’ Achter me staat inmiddels een motrorijder die niet bij de club hoort. Ongeduldig speelt hij met de gashendel en laat de uitlaat knetteren. Zijn gezicht staat boos en hij praat in zijn helm. Ik versta hem niet, maar zie aan zijn lippen dat elk derde woord een godverdomme is. Hij houdt het niet meer uit, draait om, geeft gas. Een groot peloton wielrenners komt aangereden. Ik pak mijn mobiel en app dat ik wat later ben. Een claxon. Ik kijk op en tot mijn verbazing is de weg weer vrij en sta ik vooraan in een file het verkeer op te houden. De grille van een truck schudt vlak achter mij. Ik steek mijn hand op, mompel ‘sorry’ en geef gas.

Uitlaat

‘Cockie kohom, Cockie kohom, Cockie kohom.’ Een hoge vrouwenstem galmt door het bos. ‘Cockie kohom.’ Achter me is mijn hond druk bezig geurvlaggen uit te zetten om een goede indruk te maken op leuke teefjes. ‘Cockie kohom, Cockie kohom.’ Het klinkt steeds dichterbij en als het pad een bocht maakt, zie ik een mevrouw met een flinke groep honden. Dat kan alleen maar een uitlaatservice zijn. Bij elke derde pas kijkt ze om en roept ze uit volle borst: ‘Cockie kohom, Cockie kohom.’ Zou ze bij dat bestelautootje horen, vraag ik me af. Aan het begin van het bos staat een blauwe Kangoo geparkeerd, met op de zijkant in grote letters een mobiel nummer en een website. In zo’n autootje is achterin ruimte voor één europallet. Ik tel de honden. Negen stuks lopen er bij haar in de buurt en dan is er blijkbaar ook nog een in het bos achtergebleven.
‘Cockie kohom, Cockie kohom.’
‘Passen die allemaal in dat autootje?’ De vraag brandt op mijn lippen, maar ik slik hem in.
Ze kijkt niet op of om als ik langsloop, net zo min reageert ze op mijn groet. Achter me hoor ik grommen. Een groot uitgevallen boxer uit haar groepje staat boven mijn reu te kwijlen. Ik loop door, mijn hond red zich wel. Even later is hij weer vlak achter me. Nog zeker vijf minuten weerklinkt haar hoge stem tussen de bomen. ‘Cockie kohom, Cockie kohom, Cockie kohom.’ Het pad blijft leeg. Geen hond te zien.