Buitenaards

Over de vloer waait een pluisje. Zou dat een alien zijn, vraag ik me af, een nog niet herkende vertegenwoordiger van buitenaards leven? Ik kijk extra goed naar hem en luister of ik iets hoor, probeer me open te stellen voor een telepatisch contact. Een vreemde levensvorm lijkt het me. Hoe ik daar in godsnaam mee communiceren moet? Maar hij blijft in mijn buurt rondwaaien en lijkt zich soms tot mij te richten. De hond blaft en ik kijk naar buiten wat er aan de hand is. Zet thee. Rommel wat in de keuken. Stofzuig. En als het huis wat schoner is, herinner ik me ineens de alien. Ik zoek hem, maar er is niks meer te vinden. Geen pluis op de vloer. Ik richt mijn blik naar buiten, naar het heelal en zend een korte boodschap. ‘Sorry, even niet opgelet. Als het er echt een was, stuur je dan een nieuwe?’ En vind mezelf ineens aanmatigend en arrogant. Stel je voor dat het hen enorm veel moeite heeft gekost die pluis hierheen te krijgen, dat ze hun voorraaden ervoor hebben uitgeput, al hun kennis hebben ingezet, om dan uiteindelijk niet-herkend in een stofzuigerzak te eindigen. Even weet ik niet meer wat te doen. Dan hoor ik een vertrouwde claxon. Ze is weer thuis met boodschappen voor een week. Ik loop naar buiten. Eerst maar eens helpen sjouwen.

Roze vinger

Ik zuig het landschap op. Eerst door het raam aan deze kant van de trein, daarna door het raam aan de andere kant. Dan weer door dit raam. Door dat. Dit. Dat. Dit. Dat. Ik zie Echten dat ik ken, Koekange met zijn rare naam. Dan de scherpe bocht naar links.
‘Meppel, we naderen station Meppel,’ zegt de speaker. De trein remt langzaam af en in een reflex kijk ik naar voren, naar de wand van de coupé. Meestal zit daar een spiegel, een foto van een poort in Zwolle of een gracht in Amersfoort. Maar in deze trein hangt er iets geks. Een raar plaatje. Een roze vinger wijst schuin naar beneden en een groene grasspriet wijst schuin omhoog. Waar het gras de vinger raakt, zit een diepe snee. Het plaatje plakt en zuigt en trekt. Ik kan mijn hoofd niet meer bewegen, krijg mijn ogen niet meer vrij. Het kan niet wat ik zie. Het is niet echt. Het bestaat niet.
Ik laat mijn lollie vallen en wijs met trillende vinger naar het enge ding
‘Pap, kijk daar, wat is dat?’
Mijn vader kijkt om.
Hij schuift de bank uit, buigt voorover en tast naar zijn leesbril. Van achter zijn rug kijk ik mee.
‘Snijden aan gras,’ leest Pa hardop voor.
Hij draait zich om en duwt mij terug op de bank.
‘Ga even zitten joh, het is druk op het perron, straks is je plekje nog weg.’
Ik ga zitten, maar mijn ogen blijven vastgehaakt aan dat gekke plaatje.
Als de trein allang weer rijdt, herinner ik me ineens mijn lollie. Ik wurm me tussen vier paar benen door naar het gangpad, pak de lollie van de grond, veeg het ergste vuil eraf en stop hem in mijn mond. Terug op mijn plek, tuur ik stilletjes naar buiten. Mijn vingers reflecteren in het raam, met op de achtergrond het gevaarlijk groen van gras.

Bospad

Ik ben de eerste die hier loopt vandaag. Om de paar meter voel ik spinnendraden op mijn gezicht, in mijn stoppelbaard, op mijn blote armen. Ze zijn dik en sterk en bieden weerstand. En als ze knappen -met een hoorbaar plopje soms- kriebelen ze langs mijn neus.
Per ongeluk glijdt mijn blik langs mijn t-shirt naar beneden. Drie dikke spinnen rennen op navelhoogte driftig heen en weer. De grootste lijkt mijn beweging op te merken en klimt zo snel hij kan omhoog in de richting van mijn keel. Met een gerichte beweging tik ik hem van me af. Denk ik. Want het beest grijpt zich vast aan de kleverige draden die nog aan mijn vingers plakken. Ik wapper mijn hand heen en weer en veeg langs de bast van een berkje. Het lukt. De spin rent omhoog langs de stam.

De andere twee spinnen zitten nog steeds op mijn shirt. Bewegingloos alsof ze zich beraden op wat ze zullen doen nu er een minder is. Maar ik geef ze geen kans en schudt de stof heen en weer totdat ze vallen. Met mijn armen als een breekijzer voor mijn gezicht loop ik verder. Later in de auto kijk ik in de spiegel. Spinrag hangt als vergeten grijze haren aan mijn kale kop.

(Hondenwacht plaats ik op woensdag, aflevering 13 vind je hier: http://zeilhelden.nl/2017/04/hondenwacht-13-kreunen-kraken-zingen/)

Kisten

‘Heftig!’ zegt de schipper als hij deze column leest. ‘Moet ik je zulke dingen wel vertellen?’ Ja natuurlijk wel, interessant juist. En het is altijd een verrassing hoe het weer is als je wakker schrikt en wat je slaperige hoofd daar van maakt. Het schilderij is van Giovanni Winne.

http://zeilhelden.nl/2017/03/hondenwacht-10-kisten/