Steek

Op de linkerbaan schieten snellere auto’s me voorbij. Het is een late, donkere avond. Honderd rij ik, tijd genoeg. Van links naar rechts beweegt er iets over de voorruit. ‘Tjonge, die heeft sterke poten,’ zeg ik half hardop, ‘want de druk van de wind moet gigantisch zijn.’ Losjes wandelt het insect door. Een spin? Een spin. Kan dat? En dan op een helder moment snap ik het. Het beest zit aan de binnenkant. Ik zet de radio aan en laat mijn gedachten gaan waarheen ze willen. Dan kriebelt er iets in mijn linker broekspijp achter mijn knie. Ik buig half onder het stuur door en wrijf met volle hand over de stugge stof van mijn broek. Een felle steek. Ik vloek. Parkeerplaats. Deur open. Riem los. Broek los. Broek uit. In mijn onderbroek sta ik in het licht van mijn koplampen en schud mijn broek leeg. Wrijf wantrouwig over mijn huid. Strek mijn been half naar achteren en zoek over mijn schouder naar de beet. Een rode bult. Geen beest te zien.

Zeker

Terwijl zij boodschappen doet, wacht ik met draaiende motor, dubbel geparkeerd in een drukke winkelstraat. Al snel komt ze de winkel uit en stapt gedecideerd in de auto voor me, die ook dubbelgeparkeerd staat te wachten. Hij rijdt weg en verdwijnt in het verkeer. Stomverbaasd blijf ik staan en wacht. Even later komt ze de winkel uit, opent het portier en stapt bij mij in de auto. Behoedzaam rij ik weg. Ik zeg niets. Wat zou ik kunnen zeggen. Ze was het, ik weet het zeker, maar ze was het ook heel zeker niet.

Ochtendwandeling

De leeuweriken, onzichtbaar in de lucht, piepen en knorren als een ruis uit het heelal, een licht gestoorde radiozender, een boodschap uit de tijd die ik niet -of niet meer- kan verstaan. Of zingen ze dat ik er weer eens niets van heb begrepen? Een blinde vlieg steekt door mijn veel te dunne huid. Langzaam zwelt de bult en verkleurt naar rood met witte kern. Mijn blote armen lokken alles wat kan prikken, mijn blauwe shirt schreeuwt hier is bloed, warm bloed onder een fris en pas gewassen vel. Een wandelend ontbijt met kant-en-klare hapjes.

Alle Hondenwachten als gratis e-boek

foto: Peter Veen
Eén of meer Hondenwachten nog een keer teruglezen?
De tekst van alle gepubliceerde Hondenwachten is gebundeld in een gratis e-boek.
Als extra zijn er tien nieuwe Hondenwachten opgenomen, plus vijftien zeefoto’s van Noordzee, Kanaal en Golf van Biskaje.

Het e-boek is geschikt voor mobiel, tablet, e-reader en pc. 100% gratis dus haal het op!
Check http://peterveen.nl en kijk onder het kopje Gratis.

Veel plezier!
Peter Veen

Hondenwacht 36 (Slot) – Mensenvlees

foto: Peter Veen
De man naast me is veel te dik voor de Transaviastoel. Mijn rechterschouder drukt in zijn weke vlees en bij elke beweging van mijn arm prikt mijn elleboog in de vetrollen rond zijn ribben. Geïrriteerd kijkt hij opzij en zucht dan diep.

Vier uur lang tot elkaar veroordeeld. Ik zit klem tussen hem en het raam, hij zit klem tussen mij en zijn vrouw. Zijn vrouw hoest elke paar minuten in een vast patroon van vijf korte kuchjes en dan met open mond een rocheltje.

Nog voor we opstijgen bestuderen ze de menukaart en overleggen wat de vorige keer ook alweer zo lekker was. Tapas. Het was de tapas. Als de purser langskomt met zijn etenskar, bestellen ze geroutineerd een vlees- en kaasselectie en een ice-tea. Hij hijgt. Hij hoest. Hij rochelt. Zij hijgt. Zij hoest. Zij rochelt. Hij scheurt de tapasverpakking open. De geur van chorizo is allesoverheersend.

Ik onderdruk een vloek en kijk dan naar mezelf. Doorgezwete oksels, een wekenlang gedragen broek, oude leren laarzen met stalen neuzen en stinkende Portugese schapenkaas in de rugzak tussen mijn voeten. Vast en zeker ben ik voor mijn buren ook een bron van stank en irritatie. Mijn zitbotjes doen pijn en ik voel me ongemakkelijk.

Het vliegtuig is bomvol, benauwd, vol herrie, en ik heb genoeg van dat warme mensenvlees naast me dat ik niet vermijden kan. Ik doe muziekdopjes in mijn oren, met een actief ruisfilter moeten ze de helft van de herrie tegenhouden. De muziek laat ik uit. Even zien of ik kan slapen. Dan beweegt mijn buurman weer en drukt zijn dijbeen warm en zacht tegen het mijne.

Net als ik overweeg om hem een por te geven, klinkt uit de speaker dat we vanaf nu de daling inzetten naar Schiphol. Het vliegtuig schudt even heftig als we de wolken in duiken. Achter me ruik ik kots. Nog twintig minuten.

Hondenwacht 31 – Een zachte huivering

tekening: Sabine Liedtke

‘We gaan een knoopje harder,’ zeg ik. Daar heb ik geen snelheidsmeter meer voor nodig. De helling en het geluid van hoe de boot door het water snijdt, zeggen genoeg.

Ik verzeil, verboot, mijn buitenkant word langzaam de huid van het schip. Alle impulsen rechtstreeks doorgegeven van de polyester scheepswand naar mijn kouwelijke kippenvel. Meer helling voel ik in mijn buik, meer wind rond mijn maag, in een vlaag kromt mijn rug om daarna beetje bij beetje rechtop te komen en de extra druk om te zetten in snelheid.

Ik verword tot boot, tot zeil. Oh, span mijn vallen, regel mijn schoten, zodat ik naar de overkant kan stormen om daar mijn liefste te begroeten. Eindelijk haar lippen weer mag proeven als een streling op mijn tong, een zachte huivering die hoorbaar is in het trillen van de mast.

Oh, leg mij vast aan tros en spring zodat ik op mijn plek blijf naast mijn lief, zodat haar huid mij raakt en zij liefkozend meedeint op de golven die vanuit een verre oceaan de boot bewegen doen.

Gratis e-book! De tekst van de 36 gepubliceerde Hondenwachten is verzameld in een gratis e-book, samen met tien nieuwe overpeinzingen en vijftien zeefoto’s van Noordzee, Kanaal en Golf van Biskaje. Je kan het ophalen via http://peterveen.nl. (Kijk onder het kopje Gratis.)

Hondenwacht 27 – Eelt en zout

tekening: Juul Kraijer

Ze worden anders. Mijn soepele, fragiele tekstschrijvershanden veranderen. Stijf zijn ze als ik opsta. Stokjes. Takjes, die onbuigbaar aan een boom hun functie zouden hebben, maar mij verrast mijn handen laten inspecteren.

Dikker lijken ze dan vroeger, stijver en op een rare manier gevoeliger. Het schuren van de natte vallen, touwen, meerlijnen zorgt voor een groeiend laagje eelt dat er onder een lamp wat doffig uitziet. En ze zijn zout. Steeds als mijn lippen per ongeluk mijn handen raken, proef ik zout. Een zweem als ik al een poosje binnen ben, onverwacht heftig als ik buiten een lijn opschiet die nat is van het buiswater. Handen wassen helpt niet, dus ik laat het maar zo. Zonde van het schaarse zoete water en binnen tien minuten is het zout weer terug.

Mijn haar voel zachter nu, met deze vingers, en heeft een nieuwe structuur. Niet meer stug als uitgegroeide stekels, maar zijdezacht en ongrijpbaar vlassig als van een baby of een oude moeder. Gevoeliger voor de tegendruk van wat hard is. Ongevoeliger voor de zachte huid van hond en vrouw.

(Meer Hondenwachten in combinatie met kunst? Check http://zeilhelden.nl/?s=hondenwacht)

Zong

‘Ik hoor prachtig zingen,’ zegt een jonge vrouw.
Ze leunt tegen een betaalautomaat in de smalle straat en kijkt me onbevangen aan.
‘Echt prachtig zingen.’
Ik spits mijn oren, maar het is stil om me heen. Alleen mijn eigen stem galmt door mijn hoofd.
‘Ik hoor niks,’ zeg ik en wil verder lopen.
‘Van je vader.’
Het klopt, die zong, maar hij is dood. Ik spreek de zin niet uit maar zie de woorden naar haar reiken.
‘Ja, die is dood,’ zegt ze, ‘dus nou doe jij het. Ooit zongen jullie heel mooi samen, het was met kerst.’
Haar hond die op haar arm zit, lacht naar me. Maar als ik beter kijk, is het een kat.
Net als ik haar wil vragen wie ze is, voel ik achter me haar man.
‘Ga je mee?’ vraagt hij en ze knikt.
De sfeer vervliegt, mijn vraag lost op.
Terwijl ik in gedachten het gesprek herhaal en inbrand in mijn brein, word ik langzaam wakker. En bang de woorden te vergeten, sta ik op, schiet wat kleren aan en noteer snel alles wat ik me herinner. Ik lees het nog eens terug en vraag me af of er een boodschap is. Of er misschien een boodschap was. Mijn ogen dwalen naar de klok. Zes uur tien. Het is nog veel te vroeg.

Vrij

‘Er staat een hek rond de wei, dus mij maakt het niet uit wat ze doen, als ze maar vreten en gezond zijn als ik ze laat slachten. En of ze nou van hiphop houden of van klassiek, rechts denken of links, communist zijn of fascist, ze doen maar.’
Zei de boer dat, was het god, een stem in mij?
‘Dus eigenlijk zijn ze vrij.’
‘Dat zijn ze, ja, dat zijn ze.’
Zijn lach blies als een stormwind om me heen en joeg het kippenvel op mijn armen. Want wat, dacht ik, als deze wereld onze weide is. Dat het niet mijn vlees is waarop wordt gewacht, maar dat iets mijn ziel uitvreet zodra ik sterf. En dat ik dan beroofd van elke schat tot stof verwaai, oplos in een leeg en koud heelal.
Als ik aan zoiets denk, ben ik bang. Ja, dat zei ik. Bang.

Hap

De appel waar je net een hap van neemt, maar aan de weerstand van de schil voelt dat er iets niet klopt, dat je dan kijkt en een plakkertje ontdekt dat met minuscule lettertjes probeert een boodschap te vertellen die je niet lezen kunt, maar die waarschijnlijk zegt van welk merk die appel is, waarna je het ding eraf peutert dat dan aan je vingers plakken blijft zodat, als je het aan de rand van de vuilnisbak hebt afschud, je eerst je handen en dan toch ook de appel wast om alle resten plaksel kwijt te zijn voordat je extra attent opnieuw je tanden in de appel zet.

Dag

Zo’n dag, dat je half hardop bedenkt dat je een moeder had. Hoewel er maar weinig aan haar denken doet. Vreemde theedoeken tussen de stapel die al hoog genoeg was, een stofzuiger die ongebruikt op zolder staat, een ikea kastje in de badkamer waar we jarenlang ook zonder konden. Uit haar nalatenschap kwamen vooral dingen van mijn vader die jaren eerder al gestorven is. Oude tekeningen, schetsjes, stillevens op spaanplaat, een gouden CNV-speldje voor 50 jaar trouwe dienst en zowaar de oude boekjes van de BB met wenken voor de bescherming van uzelf en uw gezin. Met die boekjes in de hand inspecteerde hij de kelder en wees aan wie in nood op welke plaats moest zitten. Het noodrantsoen met harde biscuits, bloem, suiker, kaarsen en lucifers stond op de bovenste plank in de slaapkamerkast, zelfs als ik op een stoel stond, kon ik er niet bij. De foto die ik van hem maakte op hun 25-jarig huwelijksfeest en die sinds zijn sterven bij haar op de schoorsteen stond, staat nu op de luidspreker vlak naast mijn bureau. Soms valt mijn blik op hem. Niet eerder was hij zo lang zo dichtbij. Zo’n dag. Dat je je afvraagt hoe een mens onthouden wordt en of het wel iets uitmaakt.

Gin

Op de trottoirs tussen de parkeerplaats en het terras waar ik naartoe wandel, staan tientallen uithangborden. Vandaag schreeuwen ze allemaal om aandacht. Omdat ik vroeg ben voor mijn afspraak, geef ik toe en lees de slogans stuk voor stuk.
Hier het lekkerste broodje gezond.
Herenkleding in grote maten.
De leukste dansschool van de stad.
Yoga voor jou!
Speciale aanbieding: gin & tonic.
Ik proef de uitnodigende zinnen, bedenk er een plaatje bij, speel er even mee en gooi ze dan weer weg. Tenminste dat denk ik.
Op het terras vind ik een lekker plekje, half in de schaduw en met goed uitzicht op alles wat er over de markt flaneert. Net als ik in de verte mijn vrouw aan zie komen, staat de serveerster naast me.
‘Doe maar een gin & tonic,’ zeg ik. En hoor stomverbaasd hoe vreemd mijn woorden klinken. Ik lust helemaal geen alcohol, hoe kom ik er dan bij om gin & tonic te bestellen?
‘Geen thee zoals anders?’ vraagt ze.
‘Ach ja, natuurlijk, thee graag.’
‘De darjeeling?’
‘Lijkt me heerlijk.’

Hap

Heerlijk dit broodje. Eerst eet ik de randen weg en werk mezelf dan lekker langzaam naar het meer dan smakelijke hart, de allerlaatste hap die op voorhand al blij maakt en doet watertanden. Ik zit buiten op het terras en de zon schijnt dat het een lieve lust is. Wespen, hoornaars, muggen zijn druk aan het werk. De laatste hap ligt inmiddels tussen duim en wijsvinger. Ik doe mijn mond wijd open en schuif hem langzaam naar binnen. Een bromvlieg zoemt langs en op hetzelfde moment beweegt er iets aan de onderste rand van mijn blikveld. Ik sluit mijn mond en omvat het broodje. Dan twijfel ik even, want is die vlieg nou mee naar binnen? Uitspugen en kijken is geen optie. Zonde van al die moeite, van zoveel voorpret. Voorzichtig en attent op onverwachte kriebels kauw ik het hapje fijn en slik het door. Dan opgelucht een zucht. Het smaakt prima. Zelfs voor een broodje bromvlieg.

Schuin

Soms hij boven, soms zij. Steeds elkaar omklemd en diep in elkaar verzonken. Ze liggen op de met gras begroeide schuine kant van de IJsselmeerdijk. Hij in de veertig en zij ook zoiets. Hoe lang ze er al liggen, geen idee, maar na een half uurtje is het ineens voorbij. Ze staan op en lopen met de armen om elkaars middel naar een rijtje geparkeerde auto’s, zoenen nog even en slaan elkaar dan speels op de billen. Zij loopt naar een Mercedes-coupé, schikt haar kleren, lacht breed en scheurt binnen een paar tellen weg, rechtsaf richting Almere. Hij draait zich om, opent de kofferbak van zijn Volvo, trekt zijn t-shirt uit – hij is flink te dik met kleine tietjes – spuit wat deo onder zijn oksels en op zijn borst en doet een wit overhemd aan. Dan wisselt hij van schoenen, sluit de achterklep en grabbelt via het openstaande voorportier onder het dashboard. Als hij weer rechtop komt, zie ik tandpasta en een tandenborstel in zijn hand. Zorgvuldig poetst hij zijn tanden, gorgelt met spa blauw, spuugt het uit op de grond en spoelt het witte plakkaat weg met de rest van het water. Hij stapt in. Zijn handen ordenen zijn haar met zo nu en dan een check in de binnenspiegel. Het portier slaat dicht. Hij kijkt op zijn horloge, pakt zijn mobiel en al bellend rijdt hij weg, linksaf richting Lelystad.

!@#$%^&*

De man staat middenop een kruising. Hij zwaait met een rode vlag en mopperend stop ik als hij stug blijft staan. !@#$%^&*, dit past niet in een gepland leven waarin ik op een afgesproken tijd in Lelystad moet zijn. Van rechts nadert een groep motorrijders in gele hesjes. Van achter me komen er ook een paar. Allemaal duiken ze linksaf het verkavelingsweggetje in. Ze geven gas en een van hen maakt snel een wheely. Van rechts komt een politiemotor met blauwe zwaailichten aan, erachter een politieauto, ook met blauwe zwaailichten. Dan een groepje motorrijders met gele hesjes, dan weer een politiemotor. Dan even niks. Dan een auto met racefietsen op het dak. Ver daarachter alweer een motoragent en dan een groepje wielrenners. Ze liggen voorover op hun fiets en trappen zonder op of om te kijken voorbij. Dan weer een poosje niks, gevolgd door weer zo’n rijtje.
‘Wat een hoop politie voor zo’n paar wielrenners,’ mopper ik in mezelf, ‘hebben die echt niks beters te doen?’ Achter me staat inmiddels een motrorijder die niet bij de club hoort. Ongeduldig speelt hij met de gashendel en laat de uitlaat knetteren. Zijn gezicht staat boos en hij praat in zijn helm. Ik versta hem niet, maar zie aan zijn lippen dat elk derde woord een godverdomme is. Hij houdt het niet meer uit, draait om, geeft gas. Een groot peloton wielrenners komt aangereden. Ik pak mijn mobiel en app dat ik wat later ben. Een claxon. Ik kijk op en tot mijn verbazing is de weg weer vrij en sta ik vooraan in een file het verkeer op te houden. De grille van een truck schudt vlak achter mij. Ik steek mijn hand op, mompel ‘sorry’ en geef gas.