!@#$%^&*

De man staat middenop een kruising. Hij zwaait met een rode vlag en mopperend stop ik als hij stug blijft staan. !@#$%^&*, dit past niet in een gepland leven waarin ik op een afgesproken tijd in Lelystad moet zijn. Van rechts nadert een groep motorrijders in gele hesjes. Van achter me komen er ook een paar. Allemaal duiken ze linksaf het verkavelingsweggetje in. Ze geven gas en een van hen maakt snel een wheely. Van rechts komt een politiemotor met blauwe zwaailichten aan, erachter een politieauto, ook met blauwe zwaailichten. Dan een groepje motorrijders met gele hesjes, dan weer een politiemotor. Dan even niks. Dan een auto met racefietsen op het dak. Ver daarachter alweer een motoragent en dan een groepje wielrenners. Ze liggen voorover op hun fiets en trappen zonder op of om te kijken voorbij. Dan weer een poosje niks, gevolgd door weer zo’n rijtje.
‘Wat een hoop politie voor zo’n paar wielrenners,’ mopper ik in mezelf, ‘hebben die echt niks beters te doen?’ Achter me staat inmiddels een motrorijder die niet bij de club hoort. Ongeduldig speelt hij met de gashendel en laat de uitlaat knetteren. Zijn gezicht staat boos en hij praat in zijn helm. Ik versta hem niet, maar zie aan zijn lippen dat elk derde woord een godverdomme is. Hij houdt het niet meer uit, draait om, geeft gas. Een groot peloton wielrenners komt aangereden. Ik pak mijn mobiel en app dat ik wat later ben. Een claxon. Ik kijk op en tot mijn verbazing is de weg weer vrij en sta ik vooraan in een file het verkeer op te houden. De grille van een truck schudt vlak achter mij. Ik steek mijn hand op, mompel ‘sorry’ en geef gas.